Nieuwsbrief

Secretariaat Afdeling 16 Nijmegen e.o.:
L.H.W. ten Hag
Lorkenstraat 14
6523 DR Nijmegen
E: lhwtenhag@planet.nl
T: 06 30363100

 


 

Nieuwsbrief mei 2019 Nr 2

Lezing op dinsdag 4 juni 2019

Op dinsdag 4 juni zal Bas Aarts voor ons een lezing verzorgen over:

De vroege burchten in het oostelijk deel van het rivierengebied

 

Het oostelijke rivierengebied kent een nogal gevarieerde historisch-geografische ontwikkeling in de Middeleeuwen. De bisdomgrenzen van Keulen, Utrecht en Luik raakten er elkaar. Er bevond zich veel oud kloosterbezit, vaak nog van vóór de Karolingische rijksdelingen.
De palts Nijmegen met het bijbehorende Rijk van Nijmegen nam binnen de Lage Landen een unieke positie in. Helaas weten we niet hoe dat keizerlijk verblijf in Nijmegen er in zijn vroegste gedaante uitzag. De St.-Nicolaaskapel dateert eerst uit de 11de eeuw en de zogenoemde St.-Maartenskapel behoort tot een imposante herbouw door keizer Frederik Barbarossa uit de 12de eeuw.
 
Eind 9de eeuw werd langszij de opkomende handelsplaats Tiel een imposante ringwal aangelegd, die onder andere het Walburgklooster moest beschermen tegen de regelmatig terugkerende Vikinginvallen. Ook de Nijmeegse palts werd hierdoor getroffen in 881. Al met al leidde dit ook tot de aanleg van de eerste particuliere versterkingen voor de grafelijke bovenlaag van de samenleving (de hoogteburcht van Elten en de walburcht de Duno bij Oosterbeek).
Rond het jaar 1000 probeerde het grafelijk paar Balderik en Adela om in het oostelijk rivierengebied (Hamaland, Veluwe, Betuwe, Duffelt, Hattuarië) een samenhangend machtsterritorium op te bouwen, gebaseerd op eigen grootgrondbezit, leengoederen, voogdijen en grafelijke rechten. Het schuwde daarbij moord en doodslag niet, althans volgens de eigentijdse beschrijving door Alpertus van Metz (ca. 1023).

Deze tijd- en streekgenoot geeft ook een uniek beeld van een nieuwe generatie vroege burchten. De nu nog bestaande exemplaren hiervan en het archeologisch onderzoek naar enkele ervan leren ons veel over het vaak nog experimenteel wordingsproces van deze versterkingen. Te denken valt aan de imposante motte Montferland bij ’s-Heerenberg en het dubbele motte-complex Mergelpe/Duivelsberg op de stuwwal bij Berg en Dal. In 1016, met het verlies van de hoofdvesting Opladen (Montferland) en een veroordeling op de rijksdag van Nijmegen in 1018, ging het paar Balderik en Adela politiek ten onder. Het zou de weg vrijmaken voor meer wereldlijke macht voor de aartsbisschop van Keulen en de bisschop van Utrecht in de regio, als trouwe steunpilaren van het gezag van de Duitse koning/keizer. Voor de uitoefening van nu verkregen (grafelijke) rechten hadden deze geestelijken echter weer (adellijke) leken nodig.

Zo kwam de uitheemse familie van de Flamenses in beeld die er in de loop van de tijd in slaagde om de eigen ambities te realiseren met de zich uitbreidende graafschappen Gelre en Kleef.
Net als elders in de verdere elfde en twaalfde eeuw bouwden ook in het oostelijke rivierengebied allerlei kleinere grondheren er hun versterkingen (bijvoorbeeld Ooij, Batenburg, Hernen en Wijchen). Dit proces was een onderdeel van de vorming van eigen heerlijkheden in de regio, op basis van allodiale of geüsurpeerde rechten.

De lezing zal zich speciaal richten op de periode rond het jaar 1000. Dit omdat het oostelijke rivierengebied een bijzonder inzicht biedt in met name de vroege burchtenbouw, dankzij de bewaardgebleven voorbeelden en de unieke beschrijvingen door Alpertus van Metz, waarvan het Europees belang eerst nu onderkend wordt.

De lezing begint om 20.00 uur, locatie: Wijkcentrum Ark van Oost, Cipresstraat 154, Nijmegen-Oost.

 


Duiten Huissen en muntslag Huissen 1609-1624

Op een akker in de omgeving van de vestigingsstad Grave heb ik een drietal munten van Huissen gevonden. Op 2 van de munten (duiten) staan zelfs de jaartallen vermeld.

Munten uit Grave

De munt van de bezittende vorsten te Huissen Muntslag Huissen van 1609-1624

De plaats Huissen (stadsrechten in 1384) werd pas in 1816 bij Gelderland gevoegd. Vóór die tijd behoorde Huissen bij het gebied van Kleef in het Duitse rijk.

Het munthuis dat te Huissen in de periode 1611-1613 werkzaam is geweest was een Guliks-Bergs munthuis dat munten sloeg op naam van de bezittende vorsten. Deze vorsten waren de erfgenamen van de gebieden Gulik, Berg, Kleef (in welk gebied Huissen lag), Mark, Ravenstein en Ravensberg. Het is niet onlogisch dat er munten van Huissen in de omgeving van Grave terecht zijn gekomen. Ravenstein ligt slechts op geringe afstand van Grave.

Het munthuis te Huissen

Het overlijden van Johann Wilhelm in 1609 en de onstabiele situatie tussen de beide bezittende vorsten had als gevolg dat de muntslag en de controle daarop in het gebied Kleef stil kwam te liggen. De regering in Düsseldorf ging vanwege het opstandige gedrag van Johann Reess op zoek om ander kleingeld te gaan slaan. Het koperen kleingeld en de schillingen zouden geslagen worden naar Nederlands voorbeeld. Op 7 oktober 1611 werd Wijntgens officieel door de Kreis beëdigd als Jülich-Bergs muntmeester te Huissen.

Jan Kusters


 

Gratis exemplaar jubileumboek voor leden van Afdeling 16

 

Nog niet in het bezit van het jubileumboek ‘Archeologie in onze achterTuijn Vijftig jaar vrijwilligersarcheologie in Nijmegen en Omstreken’?
Leden van de AWN Afdeling 16 kunnen een gratis exemplaar afhalen op onze werkavonden. 


We kunnen u het boek ook toesturen, maar dan brengen we € 4,15 portokosten in rekening. Na overmaking van dit bedrag op rekening  IBAN NL58 INGB 0003110639 tnv AWN Afdeling Nijmegen e.o. en ovv ‘Jubileumboek’  krijgt u het boek zsm toegestuurd.
 
 

 
 

 Afzeggen
Deze nieuwsbrief wordt ook per mail aan alle leden verzonden.
Wilt u deze Nieuwsbrief niet meer ontvangen, dan kunt u zich hier afmelden.