Bitterzoet

Afgelopen week de eerste bespreking voor een nieuw boek van de werkgroep Archeologie van de Tweede Wereldoorlog. Het duurt nog even voor het verschijnt, maar het is al leuk om ermee bezig te zijn. Vooral discussies over de titel houden de gemoederen altijd bezig. Die moet natuurlijk pakkend zijn, en begrijpelijk, de lading dekken en origineel zijn. Ga er maar aanstaan. De archeologie van WO2 spreekt trouwens enorm aan, ook op de expositie in Grave. Zet een schoolklas kinderen bij de ingang en de vitrine met de parachute van camouflagestof is net een magneet. Gaaf en cool vinden ze ‘t. Ze beseffen wel dat echte oorlog geen videogame is, maar net zo min als wij – die er niet bij waren – kunnen ze zich een voorstelling maken van de verschrikkingen van die tijd. De WO2-archeologie kan dat ook niet, maar helpt ons wel bij het vaststellen van de omstandigheden en plaatst ze in de ruimte van nu.

Terug in het depot heb ik nog een uurtje om een Pierson-doos uit te pakken. Ik stuit op 19e eeuws industrieel aardewerk. Prachtige plaatjes uit verre streken versieren de schaaltjes, kopjes en borden. Voor de arme bewoners van de Zwanengas moet het bijzonder zijn geweest om dit soort aardewerk en porselein in huis te kunnen hebben.

Als je de omstandigheden van die tijd ziet (zie deze foto van een keuken uit Vlaardingen) moet dit aardewerk met ‘zoete’ plaatjes toch een beetje vreugde in ’t leven hebben gebracht.

   

Met behulp van het boekje ‘Maastrichtse ceramiek’ van A. Polling dateer ik een kommetje. Ik leer dat we te maken hebben met beeldmerk 70, het eerste Sphinx-merk. Dit beeldmerk was er in diverse versies en werd gebruikt vanaf 1883. Het leuke is dat deze variant een turf-datering heeft. Links van het beeldmerk zie je een 8 en vervolgens 9 turfjes. Ik tel uit dat het kommetje in 1889 vervaardigd is.

Het materiaal werd gedecoreerd met transfer prints. Dit Youtube filmpje laat zien hoe dat in z’n werk gaat. Alle handelingen worden geïsoleerd en gestandaardiseerd. Zo heb je geen bijzondere skills nodig om in het arbeidsproces te worden ingezet. Zelfs de jongste kinderen worden door fabrieken als die van Petrus Regout aan het werk gezet om de productie te optimaliseren. Werknemers: mannen, vrouwen en kinderen werden uitgeknepen, vaak gedwongen tot nachtwerk en hun persoonlijke leven werd tot nul gereduceerd. Eenmaal in de ‘greep’ van Regout was het moeilijk daaruit te ontsnappen. De zoete plaatjes verhullen zo een heel wat minder rooskleurige herkomst.

Soms zijn de plaatjes zelf ook minder zoet en kijk je er wat ongemakkelijk naar. Zoals deze afbeelding die herinneringen oproept aan ons koloniaal verleden. Ik weet niet precies wat ik zie, maar ik krijg er toch een akelig gevoel bij. Van wat toen wel kon en nu echt niet meer. Zo’n gevoel als bij de Pietendiscussie. Die mijd ik het liefst. En ik ben denk ik niet de enige. Van mij mag Piet alle kleuren van de regenboog hebben, voor het feest en voor kinderen maakt dat toch niets uit. Maar onze geschiedenis verander je er niet meer mee. Door de discussie herinnert iedere pepernoot nu aan dat ongemakkelijke verleden. En juist dat is volgens mij de oorzaak van de verharding van de discussie: we willen er liever niet aan herinnerd worden, hoe terecht dat ook is.

En zo zijn onze vondsten vaak bitterzoet. Of het nu een pepernoot is, Regout-aardewerk of een, ja, of een condoom. Op onze expositie liggen in de WO2-vitrine door de legerleiding verstrekte en in de verpakking teruggevonden condooms. Zo leuk en bijzonder dat we die hebben. Maar laatst herinnerde iemand mij eraan hoe jammer dat eigenlijk is voor de parachutist van wie ze geweest zijn. Want als hij het pakje had opengemaakt om te gebruiken, hadden wij de inhoud nooit meer teruggezien!

Enfin. Wie vanavond thuis pakjes gaat openen, wens ik veel plezier. En wie dat in het depot gaat doen wens ik dat evenzo. Maar ja, voor ons is iedere woensdagavond pakjesavond.

Ieder huisje

Afgelopen weken in Grave drie rondleidingen verzorgd bij onze expositie. Een voor de vrijwilligers van het museum en een voor leerlingen van een lokale basisschool. Zoals altijd ligt hun focus bij de vondsten, de objecten, en gaan de vragen daarover. Als ik bij de volwassenen uitleg dat het ons vooral om de sporen gaat, de context, om de omstandigheden, omdat we daarvan veel meer leren, blijkt dat een openbaring. Zo zie je maar: wat voor ons vanzelfsprekend is mag je bij een ander niet als bekend verwachten.

Dus toen RN7, de streekradio, met een last minute verzoek kwam voor een interview – dat deze zondag voor niemand handig uitkwam – besloot ik opnieuw een kruistocht te ondernemen tegen de gedachte dat we als gouddelvers in het wilde Westen te hooi en te gras de schop in de grond steken. Dat ene potje vinden is leuk, maar komt het uit een grafveld of een nederzetting? Is het huishoudelijk of ritueel gebruikt? Alleen de context kan het uitwijzen. Het wordt een beetje een lang verhaal, maar ik hoop het maar weer eens te hebben uitgelegd.

Wat de rondleidingen voor kinderen betreft ben ik ben onder de indruk van de liefde en aandacht waarmee Martien Koolen en zijn mede-vrijwilligers in Grave uitleg geven over de archeologie en de historie van hun stad en de omgeving. Zo creëer je mensen die trots zijn op de plek waar ze wonen. Voor mij is het lang geleden dat ik voor de klas stond en zeker voor zulke jonge leerlingen. Ik heb heel wat geleerd van Martien’s uitleg van ‘oud’ bij een vuurstenen object: hoe schrijf je tien? Een 1 en een 0. En honderd? Een 1 en twee nullen. En duizend? En een miljoen? Precies! Een 1 met 6 nullen! Dus dat is heel lang geleden….en deze vuursteen is nog meer dan 1 miljoen jaar oud. Een goede poging om ‘heel oud’ uit te leggen. Dat had ik moeten horen voordat ik probeer uit te leggen dat iets ‘van rond het begin van de jaartelling’ is. Ik denk achteraf niet dat ze dat begrepen hebben.

Nu we het toch over het begin van de jaartelling hebben: afgelopen woensdag kwam uit een blije doos van de Piersonstraat dit armpje tevoorschijn. Overduidelijk van een gekruisigde Christus. Ik moest meteen denken aan een anekdote die een leraar van mijn communicatieopleiding ooit gebruikte om het concept ‘out of the box-denken’ uit te leggen. Een spijkerfabriek geeft een reclamebureau opdracht een advertentie te bedenken voor hun spijkers. Bij de presentatie krijgt de fabrieksdirecteur een afbeelding van christus aan het kruis voorgeschoteld. Met daaronder de tekst: “Dankzij de spijkers van Van Leeuwen hangt Jezus hier al eeuwen”. De man blijkt niet gecharmeerd van het concept en geeft aan dat hij toch liever geen reclame willen maken met Jezus aan het kruis. Waarop het bureau een week later terugkeert met een nieuwe presentatie. Het kruis is nu leeg. Daaronder staat de tekst: “Jezus is van het kruis gepleurd. Met spijkers van Van Leeuwen was dit nooit gebeurd”.

Ik denk niet dat het daarna nog wat geworden is met die relatie. Dat dacht ik trouwens ook meteen toen ik in dezelfde doos de twee bovenstaande kopjes tegenkwam. Twee rattige delen van porseleinen poppen. Zo heerlijk om daar een verhaal bij te bedenken. Dat kan nu allemaal nog, dat fantaseren: de feiten moeten nog komen. Maar hier hebben ongetwijfeld twee zusjes gewoond. De een heeft de pop van de ander kapot gemaakt, al dan niet per ongeluk. En toen heeft de andere kattenkop natuurlijk de pop van die ene op de haardstenen laten stuiteren. Lekker puh! Zo heeft ook in de Piersonstraat ieder huisje zijn kruisje. Ik ben benieuwd of we ooit zullen vaststellen of het huis waarbij de beerput hoorde aan twee zusjes onderdak bood…

In Grave is trouwens ook een mooi verhaal verbonden aan huisjes en hun kruisjes…maar dat moet je maar aan Martien vragen 😉

Bennekom

Het is af! De expositie staat. Gister heeft Ben de laatste objecten in de vitrines geplaatst. Vanmorgen eerst samen met Leo een journalist van De Gelderlander te woord gestaan. Met veel interesse hoorde hij aan welke verschillende aspecten er aan vrijwilligersarcheologie zitten. Hij gaf aan dat er in de editie Nijmegen een stukje komt en wellicht nog iets met een foto in de editie Maasland, die in Grave uitkomt.

Nadat Leo en de journalist vertrokken zijn gaan Marcel en ik de puntjes op de i zetten. De snijtekst op de muren, de laatste aangepaste vitrinekaartjes op hun plaats. Toch nog wat dingen verplaatsen en vragen beantwoorden van de bezoekers van de operacursus die iedere donderdagochtend in het belendende zaaltje wordt gegeven. We worden regelmatig begeleid door vocaal vuurwerk, want de lezing is overduidelijk voorzien van geluidsvoorbeelden (nee, geen lichtbeelden of kroketten in de pauze).

Als we eindelijk tevreden zijn besluiten we in het stadscentrum wat te gaan eten om het te vieren (nee, weer geen kroketten). We sjouwen een flinke voorraad jubileumboeken naar binnen (ja, ze zijn zwaar) en op het moment dat we de Hampoort verlaten loopt er net een echtpaar op VUT-leeftijd naar binnen. We kijken elkaar aan en hebben dezelfde gedachte: onze eerste klanten! We scharrelen kriskras door de achterafstraatjes richting Elisabethkerk. Ik dacht dat het zo simpel was maar eindig bij de huizen met kruisen op het dak…wat vertelde Martien daar ook weer over?

Moe en nu ook voldaan lopen we anderhalf uur later weer terug. Ik wil nog even een foto maken. ‘De eerste bezoekers zijn niet weg te slaan’, zegt Martien als we binnenkomen. En inderdaad: de mensen die bij ons vertrek naar binnen liepen zijn nog steeds aan het lezen en kijken. Ik vraag of ik een foto mag maken waar ze op staan. Zo raken we in gesprek. De ene vraag na de andere krijg ik op me afgevuurd. Wat leuk dat deze mensen het zo interessant vinden. Het meest bijzondere vinden ze toch een groepje objecten uit de WOII vitrine. Ik verraad niet wat er ligt, maar ik vond het zelf ook apart.

De mevrouw vraagt of ze ook zelf mee zou kunnen plakken, want dat heeft haar altijd zo leuk geleken. ‘Moet je daar een diploma voor hebben?’, vraagt ze. Ik vertel uitgebreid over het Pierson project en ze vindt het meteen leuk. Terwijl ik een foldertje pak met het www-adres van de AWN, vraag ik in welke plaats ze woont. ‘Bennekom’, is het antwoord. Ben ik in al m’n enthousiasme een lid aan het werven voor Afdeling 14…en nog een leuk lid ook! En daar hebben ze geen Pierson, ben ik bang.

Dieptepunt

Leuk zo’n blog, maar lastig als er steeds weer iets anders langskomt dat belangrijker is. Zes weken geleden begon ik aan mijn derde blog, en schreef ik dit:

Nu ik met dit blog begonnen ben, heb ik de mogelijkheid om ook eens een kijkje achter de schermen van de website te nemen. En realiseer ik me hoeveel werk hier door Aad wordt verzet. Ik bedoel, we zijn als AWN’ers goed in grondverzet, maar webverzet is weer een heel andere tak van sport. Hebben jullie wel eens uitgebreid rondgestruind op de site? Ik heb grote bewondering voor de hoeveelheid werk die Aad erin stopt en voor de variatie die hij biedt. Het is een beetje raar om op de site zelf de website aan te bevelen, maar bij dezen doe ik dat toch maar! En wisten jullie dat we laatst van onze vertegenwoordiger van de landelijke AWN te horen hebben gekregen dat we de mooiste website hebben van alle afdelingen? Top Aad!

Het is me het AWN-weekje wel, trouwens. Woensdagavond weer overleg: o.a. met Katja, die de collectie van Wim aan het beschrijven is voor boek en expositie. Daarna gelukkig tijd om een doos Pierson te ‘doen’. Een heel gevarieerd beeld: veel oud ijzer, heel veel botten, leer, natuursteen, lei, griffels, pijpenstelen, koper, aardewerk, glas, een katrol, een mesheft, gruis, nog meer gruis waar zaden in zitten en nog veel meer. Daar kan ik nog even mee door. Helaas niets waar je thuis alvast een beetje mee kunt Miss Marplen op internet.

Donderdag het afscheid van Mike als penningmeester van de AWN. De overige bestuursleden trakteren hem op een etentje. Mooie traditie en voor mij uiteraard de eerste keer dat ik erbij ben. Ik kom pas kijken. Nou, er is wel wat over de tafel gegaan daar. Vooral verhalen over het vakantiewerk van ‘vroeguh’. Met stip op één staat het al dan niet meespelen in ‘Een brug te ver’ in 1976. Deventer, ‘a sleepy Dutch town’ wordt Hollywood aan de IJssel en Nijmeegse scholieren kunnen figureren. Mooie verhalen. Er staat trouwens aflevering van Andere Tijden online over de hele gang van zaken toen: https://www.anderetijden.nl/aflevering/456/Een-Brug-te-Ver

Terug naar de onze… Op maandag starten Marcel en ik met de opmaak van het jubileumboek. Leo heeft de teksten aangeleverd, Aad de beelden. Hun werk zit er voorlopig even op. We beginnen bij het begin: lettertype kiezen, bladspiegel bepalen, interlinie, lettercorps, indeling, kaders, basiskleuren, vormgeving fotobijschriften, nummering etc etc. We hadden al eerder wat proeven gemaakt, maar met de echte tekst zie je pas goed hoe het ‘valt’. We schuiven met maten en verhoudingen, komen de eerste problemen tegen, passen alles weer aan en zo gaat dat de eerste dag door.

Het werk van Leo en Aad zat er maar tijdelijk ‘voorlopig even op’ want natuurlijk waren er aanvullende teksten bij de foto’s nodig, en foto’s die beter bij de tekst pasten, en een opbouw voor de beschrijving van de Tuijn-collectie door Katja Zee, en al met al nog heel veel werk voor ik vijf weken later (vorige week) kon schrijven:

Pfff. Het ei is gelegd. Het jubileumboek is naar de drukker. De hotline met Leo en Aad kan even afkoelen. Het blijft altijd een spannend moment. Die druk op de knop die het voorafgaande ‘voor de eeuwigheid’ gaat vastleggen. Want hoe precies je ook controleert, hoeveel fouten en foutjes en onduidelijkheden en onheldere formuleringen en ‘storende onzorgvuldigheden’ je er ook uithaalt, er blijft er altijd wel eentje staan. Zo zag Marcel letterlijk 15 seconden voor de definitieve verzending opeens het woord ‘verassing’ staan. In archeologische context zou dit woord nog wel kunnen, maar er werd geen crematie bedoeld: kortom nog een last minute surprise.

Inmiddels is het vandaag en ben ik net terug van een interview met de radiozender RN7. De bedoeling was om te praten over het boek en de expositie over 50 jaar AWN Nijmegen en omstreken. Dus had ik me uitgebreid voorbereid met jaartallen en plaatsen en twee quotes van Wim, omdat er daarvan veel in het boek staan: de eerste dat je werk als vrijwilliger in de archeologie ‘vrijwillig maar niet vrijblijvend’ is, de tweede dat ‘opgraven in groepsverband toch leuker’ is. Daar wilde ik mijn verhaal omheen bouwen, hoe zijn waarden voor ons nog steeds van belang zijn.

Maar dat is dan het lastige bij zo’n interview. Dat je vragen krijgt waar je juist helemaal niet over nagedacht hebt. ‘Wat was het dieptepunt in de afgelopen 50 jaar?’ Jeetje, wat moet je daarop zeggen? Ik red me eruit met ‘dat we altijd in de diepte graven, dus dat ieder dieptepunt voor ons juist weer een hoogtepunt is.’ Het zou mooi zijn als iemand dit bij het 75-jarig jubileum als quote aanhaalt denk ik nog. Maar toch heb ik er een naar gevoel bij. Het boek krijgt in het geheel te weinig aandacht.

Als ik in de stromende regen weer buiten sta, loop ik Henk Stuij tegen het lijf. Ik vertel hem waar ik vandaan kom en hij zegt: ‘Dat hebbie vast prima gedaan.’ Ondanks de regen voel ik me meteen een stuk beter.

Aardbeziën

Afgelopen woensdagavond begon met overleg over de op handen zijnde jubileumactiviteiten. Een speciale werkgroep is al maanden bezig met de voorbereiding van de jubileumuitgave. Het boek zal gewijd zijn aan Wim Tuijn en zijn collectie, aan 50 jaar archeologie in groepsverband (onze afdeling) en aan de werkgroepen in de regio. Leo diepte onder andere dit passende fragment van Wim op uit de annalen: “Na enige jaren in m’n eentje wat rond geschept te hebben besefte ik dat archeologie in clubverband toch leuker was”.

Naast het boek komt er een jubileumtentoonstelling in het Graafs Museum, waar we vondsten uit de collectie van Wim Tuijn en van alle werkgroepen laten zien. Het meeste materiaal is al toegezegd, maar nu moet de bruikleen formeel geregeld worden. Voor alle artefacten wordt een bruikleenovereenkomst afgesloten. En sommige artefacten liggen in musea en daarvan moet de bruikleen formeel aangevraagd worden. Een klus waarvan het schriftelijk deel voornamelijk op Leo neerkomt. Ben is inmiddels aan de slag met het inrichtingsplan. Aad levert beeld en geluid. En ik de vormgeving… als we precies weten hoe we het hebben willen.

Na dit overleg nog even naar Kees, want we mogen voor de expositie wat vondsten van het Kelfkensbosproject lenen. Hield de AWN’er zich vroeger veelal bezig met opgraven, zo langzaam maar zeker komt de nadruk te liggen op verwerking, determinatie en beschrijving van eerder gedane vondsten. Het is goed om ook dat te laten zien, want met dit werk maken we mede mogelijk dat opgravingen uit een soms ver verleden nu uit het depot kunnen worden opgediept en ontsloten.

Gelukkig kan ik de laatste 20 minuten van de avond nog even meekijken bij ‘de Pierson’. In dit beginstadium van het project wordt van alle vondstdozen een ‘eerste indruk’ genoteerd: welk materiaal zit er in, hoe is het verdeeld en zijn er bijzondere vondsten bij. Op voorstel van Melchior komt een foto van de inhoud (netjes gesorteerd en uitgespreid) op de buitenzijde van iedere doos. Bij een volgende stap in het proces zal dit veel tijd gaan schelen.

Op de tafel van Ellen en Mark trekt één scherf de aandacht: op de zwarte transferprint is nog net het woord ‘Jam’ te lezen. Als geboren Tielse denk ik meteen aan ‘De Betuwe’ jam. Enig googlen wijst uit dat de jam inderdaad uit Tiel afkomstig is geweest. De afgebeelde pot – voor Aardbeziën, niet voor (Abrik? of Framb?)ozen – is (zie de link) te dateren rond 1905.

Dat vondsten uit de ‘Nieuwe Tijd’ allerlei associaties met onze jeugd oproepen is een leuke bijkomstigheid. Aad herkent vreemde spiegeldekseltjes van vroeger, Ellen denkt bij Aardbeziën meteen aan Ti-Ta-Tovenaar en ik ben weer terug bij ‘Flipje en zijn vriendjes’. Ik ga thuis meteen op zoek naar het enige boekje (1963) dat ik bewaard heb: veel passender krijg je het niet in ons schervenparadijs.

 


 

Plakdag

Vanaf het moment dat mijn buurman Do met (pre)pensioen ging als fotograaf bij de Gelderlander, begon hij met het tonen en beschrijven van zijn Zwarte gat op Facebook. Meer dan 100 gaten met jagen, museumbezoek en heel veel ‘vorkjes prikken’ verder zie ik zijn beelden en cynisch commentaar nog steeds met plezier. Kort maar krachtig. Leuk!

Dus toen Aad vroeg of ik voor de nieuwe site een blog over de Piersonstraat wilde schrijven, riep ik meteen ja. Mijn Zwarte gat was inmiddels ook begonnen, dus het leek het juiste moment. Maar dankzij alle beloften vooraf is mijn Zwarte gat meer een Zwarte berg geworden. En de voorbereidingen voor het komende AWN-jubileum verdringen op woensdagavond vaak de Pierson-activiteiten. Nu ik na twee maanden eindelijk begin heb ik maar besloten mijn verhaal niet te beperken tot het Piersonproject, hoewel het vast om de hoek zal komen kijken.

Deze week was ik voor het eerst bij het ADC om te helpen met het plakken van de vondsten van de opgravingen in Bemmel afgelopen winter. Meer extreme verschillen in omstandigheden kun je je niet voorstellen. Toen stonden we soms dagenlang in regen en vorst, nu is het warmer en droger dan ooit. Toen was het buffelen: nu staan de dozen al kant en klaar op ons te wachten en kunnen we de omstandigheden voor een groot deel naar onze hand zetten. Jammer dat de scherven niet voorzichtig gewassen zijn maar wel getrommeld lijken. De geverfde waar is langs de randen alle “verf” en definitie kwijt: sommige randen zijn helemaal rond geworden. Zelfs de UHU heeft moeite met de kleine raakvlakken. Toch weten we zeven Romeinse potten en bekers te reconstrueren.

Vrijwillig werken voor het ADC

Dank aan Rianet die dit voor ons heeft geregeld. Het is de reis zeker waard. En waar vind je tegenwoordig nog een goede lunch voor 1,50? Buiten was het tropisch maar met de airco op een laag pitje en de radio het grootste deel van de dag op kloosterstand was het in gezelschap van Frans en Melchior goed toeven in de uitwerkruimte. Of zoals Melchior het treffend samenvatte: beter een plakdag dan een plaknacht…

Romeins drinkbekertje