Bennekom

Het is af! De expositie staat. Gister heeft Ben de laatste objecten in de vitrines geplaatst. Vanmorgen eerst samen met Leo een journalist van De Gelderlander te woord gestaan. Met veel interesse hoorde hij aan welke verschillende aspecten er aan vrijwilligersarcheologie zitten. Hij gaf aan dat er in de editie Nijmegen een stukje komt en wellicht nog iets met een foto in de editie Maasland, die in Grave uitkomt.

Nadat Leo en de journalist vertrokken zijn gaan Marcel en ik de puntjes op de i zetten. De snijtekst op de muren, de laatste aangepaste vitrinekaartjes op hun plaats. Toch nog wat dingen verplaatsen en vragen beantwoorden van de bezoekers van de operacursus die iedere donderdagochtend in het belendende zaaltje wordt gegeven. We worden regelmatig begeleid door vocaal vuurwerk, want de lezing is overduidelijk voorzien van geluidsvoorbeelden (nee, geen lichtbeelden of kroketten in de pauze).

Als we eindelijk tevreden zijn besluiten we in het stadscentrum wat te gaan eten om het te vieren (nee, weer geen kroketten). We sjouwen een flinke voorraad jubileumboeken naar binnen (ja, ze zijn zwaar) en op het moment dat we de Hampoort verlaten loopt er net een echtpaar op VUT-leeftijd naar binnen. We kijken elkaar aan en hebben dezelfde gedachte: onze eerste klanten! We scharrelen kriskras door de achterafstraatjes richting Elisabethkerk. Ik dacht dat het zo simpel was maar eindig bij de huizen met kruisen op het dak…wat vertelde Martien daar ook weer over?

Moe en nu ook voldaan lopen we anderhalf uur later weer terug. Ik wil nog even een foto maken. ‘De eerste bezoekers zijn niet weg te slaan’, zegt Martien als we binnenkomen. En inderdaad: de mensen die bij ons vertrek naar binnen liepen zijn nog steeds aan het lezen en kijken. Ik vraag of ik een foto mag maken waar ze op staan. Zo raken we in gesprek. De ene vraag na de andere krijg ik op me afgevuurd. Wat leuk dat deze mensen het zo interessant vinden. Het meest bijzondere vinden ze toch een groepje objecten uit de WOII vitrine. Ik verraad niet wat er ligt, maar ik vond het zelf ook apart.

De mevrouw vraagt of ze ook zelf mee zou kunnen plakken, want dat heeft haar altijd zo leuk geleken. ‘Moet je daar een diploma voor hebben?’, vraagt ze. Ik vertel uitgebreid over het Pierson project en ze vindt het meteen leuk. Terwijl ik een foldertje pak met het www-adres van de AWN, vraag ik in welke plaats ze woont. ‘Bennekom’, is het antwoord. Ben ik in al m’n enthousiasme een lid aan het werven voor Afdeling 14…en nog een leuk lid ook! En daar hebben ze geen Pierson, ben ik bang.

Dieptepunt

Leuk zo’n blog, maar lastig als er steeds weer iets anders langskomt dat belangrijker is. Zes weken geleden begon ik aan mijn derde blog, en schreef ik dit:

Nu ik met dit blog begonnen ben, heb ik de mogelijkheid om ook eens een kijkje achter de schermen van de website te nemen. En realiseer ik me hoeveel werk hier door Aad wordt verzet. Ik bedoel, we zijn als AWN’ers goed in grondverzet, maar webverzet is weer een heel andere tak van sport. Hebben jullie wel eens uitgebreid rondgestruind op de site? Ik heb grote bewondering voor de hoeveelheid werk die Aad erin stopt en voor de variatie die hij biedt. Het is een beetje raar om op de site zelf de website aan te bevelen, maar bij dezen doe ik dat toch maar! En wisten jullie dat we laatst van onze vertegenwoordiger van de landelijke AWN te horen hebben gekregen dat we de mooiste website hebben van alle afdelingen? Top Aad!

Het is me het AWN-weekje wel, trouwens. Woensdagavond weer overleg: o.a. met Katja, die de collectie van Wim aan het beschrijven is voor boek en expositie. Daarna gelukkig tijd om een doos Pierson te ‘doen’. Een heel gevarieerd beeld: veel oud ijzer, heel veel botten, leer, natuursteen, lei, griffels, pijpenstelen, koper, aardewerk, glas, een katrol, een mesheft, gruis, nog meer gruis waar zaden in zitten en nog veel meer. Daar kan ik nog even mee door. Helaas niets waar je thuis alvast een beetje mee kunt Miss Marplen op internet.

Donderdag het afscheid van Mike als penningmeester van de AWN. De overige bestuursleden trakteren hem op een etentje. Mooie traditie en voor mij uiteraard de eerste keer dat ik erbij ben. Ik kom pas kijken. Nou, er is wel wat over de tafel gegaan daar. Vooral verhalen over het vakantiewerk van ‘vroeguh’. Met stip op één staat het al dan niet meespelen in ‘Een brug te ver’ in 1976. Deventer, ‘a sleepy Dutch town’ wordt Hollywood aan de IJssel en Nijmeegse scholieren kunnen figureren. Mooie verhalen. Er staat trouwens aflevering van Andere Tijden online over de hele gang van zaken toen: https://www.anderetijden.nl/aflevering/456/Een-Brug-te-Ver

Terug naar de onze… Op maandag starten Marcel en ik met de opmaak van het jubileumboek. Leo heeft de teksten aangeleverd, Aad de beelden. Hun werk zit er voorlopig even op. We beginnen bij het begin: lettertype kiezen, bladspiegel bepalen, interlinie, lettercorps, indeling, kaders, basiskleuren, vormgeving fotobijschriften, nummering etc etc. We hadden al eerder wat proeven gemaakt, maar met de echte tekst zie je pas goed hoe het ‘valt’. We schuiven met maten en verhoudingen, komen de eerste problemen tegen, passen alles weer aan en zo gaat dat de eerste dag door.

Het werk van Leo en Aad zat er maar tijdelijk ‘voorlopig even op’ want natuurlijk waren er aanvullende teksten bij de foto’s nodig, en foto’s die beter bij de tekst pasten, en een opbouw voor de beschrijving van de Tuijn-collectie door Katja Zee, en al met al nog heel veel werk voor ik vijf weken later (vorige week) kon schrijven:

Pfff. Het ei is gelegd. Het jubileumboek is naar de drukker. De hotline met Leo en Aad kan even afkoelen. Het blijft altijd een spannend moment. Die druk op de knop die het voorafgaande ‘voor de eeuwigheid’ gaat vastleggen. Want hoe precies je ook controleert, hoeveel fouten en foutjes en onduidelijkheden en onheldere formuleringen en ‘storende onzorgvuldigheden’ je er ook uithaalt, er blijft er altijd wel eentje staan. Zo zag Marcel letterlijk 15 seconden voor de definitieve verzending opeens het woord ‘verassing’ staan. In archeologische context zou dit woord nog wel kunnen, maar er werd geen crematie bedoeld: kortom nog een last minute surprise.

Inmiddels is het vandaag en ben ik net terug van een interview met de radiozender RN7. De bedoeling was om te praten over het boek en de expositie over 50 jaar AWN Nijmegen en omstreken. Dus had ik me uitgebreid voorbereid met jaartallen en plaatsen en twee quotes van Wim, omdat er daarvan veel in het boek staan: de eerste dat je werk als vrijwilliger in de archeologie ‘vrijwillig maar niet vrijblijvend’ is, de tweede dat ‘opgraven in groepsverband toch leuker’ is. Daar wilde ik mijn verhaal omheen bouwen, hoe zijn waarden voor ons nog steeds van belang zijn.

Maar dat is dan het lastige bij zo’n interview. Dat je vragen krijgt waar je juist helemaal niet over nagedacht hebt. ‘Wat was het dieptepunt in de afgelopen 50 jaar?’ Jeetje, wat moet je daarop zeggen? Ik red me eruit met ‘dat we altijd in de diepte graven, dus dat ieder dieptepunt voor ons juist weer een hoogtepunt is.’ Het zou mooi zijn als iemand dit bij het 75-jarig jubileum als quote aanhaalt denk ik nog. Maar toch heb ik er een naar gevoel bij. Het boek krijgt in het geheel te weinig aandacht.

Als ik in de stromende regen weer buiten sta, loop ik Henk Stuij tegen het lijf. Ik vertel hem waar ik vandaan kom en hij zegt: ‘Dat hebbie vast prima gedaan.’ Ondanks de regen voel ik me meteen een stuk beter.

Aardbeziën

Afgelopen woensdagavond begon met overleg over de op handen zijnde jubileumactiviteiten. Een speciale werkgroep is al maanden bezig met de voorbereiding van de jubileumuitgave. Het boek zal gewijd zijn aan Wim Tuijn en zijn collectie, aan 50 jaar archeologie in groepsverband (onze afdeling) en aan de werkgroepen in de regio. Leo diepte onder andere dit passende fragment van Wim op uit de annalen: “Na enige jaren in m’n eentje wat rond geschept te hebben besefte ik dat archeologie in clubverband toch leuker was”.

Naast het boek komt er een jubileumtentoonstelling in het Graafs Museum, waar we vondsten uit de collectie van Wim Tuijn en van alle werkgroepen laten zien. Het meeste materiaal is al toegezegd, maar nu moet de bruikleen formeel geregeld worden. Voor alle artefacten wordt een bruikleenovereenkomst afgesloten. En sommige artefacten liggen in musea en daarvan moet de bruikleen formeel aangevraagd worden. Een klus waarvan het schriftelijk deel voornamelijk op Leo neerkomt. Ben is inmiddels aan de slag met het inrichtingsplan. Aad levert beeld en geluid. En ik de vormgeving… als we precies weten hoe we het hebben willen.

Na dit overleg nog even naar Kees, want we mogen voor de expositie wat vondsten van het Kelfkensbosproject lenen. Hield de AWN’er zich vroeger veelal bezig met opgraven, zo langzaam maar zeker komt de nadruk te liggen op verwerking, determinatie en beschrijving van eerder gedane vondsten. Het is goed om ook dat te laten zien, want met dit werk maken we mede mogelijk dat opgravingen uit een soms ver verleden nu uit het depot kunnen worden opgediept en ontsloten.

Gelukkig kan ik de laatste 20 minuten van de avond nog even meekijken bij ‘de Pierson’. In dit beginstadium van het project wordt van alle vondstdozen een ‘eerste indruk’ genoteerd: welk materiaal zit er in, hoe is het verdeeld en zijn er bijzondere vondsten bij. Op voorstel van Melchior komt een foto van de inhoud (netjes gesorteerd en uitgespreid) op de buitenzijde van iedere doos. Bij een volgende stap in het proces zal dit veel tijd gaan schelen.

Op de tafel van Ellen en Mark trekt één scherf de aandacht: op de zwarte transferprint is nog net het woord ‘Jam’ te lezen. Als geboren Tielse denk ik meteen aan ‘De Betuwe’ jam. Enig googlen wijst uit dat de jam inderdaad uit Tiel afkomstig is geweest. De afgebeelde pot – voor Aardbeziën, niet voor (Abrik? of Framb?)ozen – is (zie de link) te dateren rond 1905.

Dat vondsten uit de ‘Nieuwe Tijd’ allerlei associaties met onze jeugd oproepen is een leuke bijkomstigheid. Aad herkent vreemde spiegeldekseltjes van vroeger, Ellen denkt bij Aardbeziën meteen aan Ti-Ta-Tovenaar en ik ben weer terug bij ‘Flipje en zijn vriendjes’. Ik ga thuis meteen op zoek naar het enige boekje (1963) dat ik bewaard heb: veel passender krijg je het niet in ons schervenparadijs.

 


 

Plakdag

Vanaf het moment dat mijn buurman Do met (pre)pensioen ging als fotograaf bij de Gelderlander, begon hij met het tonen en beschrijven van zijn Zwarte gat op Facebook. Meer dan 100 gaten met jagen, museumbezoek en heel veel ‘vorkjes prikken’ verder zie ik zijn beelden en cynisch commentaar nog steeds met plezier. Kort maar krachtig. Leuk!

Dus toen Aad vroeg of ik voor de nieuwe site een blog over de Piersonstraat wilde schrijven, riep ik meteen ja. Mijn Zwarte gat was inmiddels ook begonnen, dus het leek het juiste moment. Maar dankzij alle beloften vooraf is mijn Zwarte gat meer een Zwarte berg geworden. En de voorbereidingen voor het komende AWN-jubileum verdringen op woensdagavond vaak de Pierson-activiteiten. Nu ik na twee maanden eindelijk begin heb ik maar besloten mijn verhaal niet te beperken tot het Piersonproject, hoewel het vast om de hoek zal komen kijken.

Deze week was ik voor het eerst bij het ADC om te helpen met het plakken van de vondsten van de opgravingen in Bemmel afgelopen winter. Meer extreme verschillen in omstandigheden kun je je niet voorstellen. Toen stonden we soms dagenlang in regen en vorst, nu is het warmer en droger dan ooit. Toen was het buffelen: nu staan de dozen al kant en klaar op ons te wachten en kunnen we de omstandigheden voor een groot deel naar onze hand zetten. Jammer dat de scherven niet voorzichtig gewassen zijn maar wel getrommeld lijken. De geverfde waar is langs de randen alle “verf” en definitie kwijt: sommige randen zijn helemaal rond geworden. Zelfs de UHU heeft moeite met de kleine raakvlakken. Toch weten we zeven Romeinse potten en bekers te reconstrueren.

Vrijwillig werken voor het ADC

Dank aan Rianet die dit voor ons heeft geregeld. Het is de reis zeker waard. En waar vind je tegenwoordig nog een goede lunch voor 1,50? Buiten was het tropisch maar met de airco op een laag pitje en de radio het grootste deel van de dag op kloosterstand was het in gezelschap van Frans en Melchior goed toeven in de uitwerkruimte. Of zoals Melchior het treffend samenvatte: beter een plakdag dan een plaknacht…

Romeins drinkbekertje