Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst

Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst

Relicta Monografieën 16

Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen Heritage Research in Flanders

Voorwoord

Dit boek verzamelt de onderzoeksresultaten over de middeleeuwse en oudere geschiedenis van de Hopmarkt in de stad Aalst (provincie Oost-Vlaanderen). Naar aanleiding van de inmiddels gerealiseerde bouw van een ondergrondse parkeergarage werd het zuidelijke deel van dit plein archeologisch onderzocht van 15 maart 2004 tot eind december 2005. Dit opgravingsproject was een samenwerking tussen het toenmalige Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), nu deel van het agentschap Onroerend Erfgoed (OE), en het stadsbestuur van Aalst, dat het project grotendeels financierde. Samen stelden ze een projectploeg samen van vier archeologen en zeven technische medewerkers onder de wetenschappelijke leiding van het VIOE. De opgraving omvatte een totale oppervlakte van ongeveer 3200 m² die integraal onderzocht werd. De archeologische horizont had een gemiddelde dikte van twee meter en bestond uit vele duizenden sporen en tienduizenden vondsten van de prehistorie tot de 20ste eeuw. Dit boek is de derde publicatie die uit dit onderzoek voortvloeit1 en is de eerste die alle sporen en vondsten behandelt uit de periode vóór het karmelietenklooster, dat in 1497 op deze plaats was opgericht. In 2011 voerde de archeologische cel van de intercommunale Solva aanvullend archeologisch onderzoek uit naar aanleiding van de aanvang van de bouwwerken2. Dit onderzoek is niet opgenomen in deze studie, met uitzondering van het botmateriaal uit de poel en enkele uitzonderlijke vondsten. Deze zullen steeds apart vermeld worden.

Identificatie van een prehistorisch grafveld in de Westermeerwijk

Grafheuvels Groesbeek

Identificatie van een prehistorisch grafveld in de Westermeerwijk, gemeente Berg en Dal

Tijdens het bestuderen van de digitale reliëfkaarten opgenomen in het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN2), werd door het AWN-lid Paul Klinkenberg in een op het grondgebied van de gemeente Berg en Dal gelegen bosperceel ten zuidwesten van het in de hoek van de Meerwijkselaan en de Postweg gelegen Afrikamuseum in 2014 een zestal opmerkelijke verhogingen waargenomen.

Op verzoek van Paul Klinkenberg werd in opdracht van AWN-afdeling 16 Nijmegen en omstreken, met medeweten en medewerking van de gemeente Berg en Dal, de regionaal archeoloog (S. van Roode) en Staatsbosbeheer, op 12 maart 2016 door enkele leden van genoemde AWN-afdeling een niet-gravend onderzoek ingesteld naar bedoelde heuvels. In dit rapport worden de bevindingen van het onderzoek weergegeven.

 

Proefsleuvenonderzoek in het plangebied Vossenpels te Lent

Plan Vossepels Lent

Proefsleuvenonderzoek in het plangebied Vossenpels te Lent:
Project Vos1

In de digitale studiezaal Nijmegen zijn alle onderzoeken van het Archeologisch Bureau Nijmegen gratis te bestuderen, hier een voorbeeld.

De reeks Archeologische Berichten Nijmegen, waarin de archeologische onderzoeken worden beschreven die binnen de grenzen van de Gemeente Nijmegen zijn uitgevoerd. De rapporten zijn niet alleen voor archeologen geschikt, maar zeker ook voor de geïnteresseerde lezer.

“Het plangebied Vossenpels 1 ligt volgens Archis deels binnen een archeologisch monument van archeologische waarde (Archis-nr. 12471.14 Volgens Archis betreft het een terrein, gelegen op een oeverwal, met sporen van een nederzetting uit het laat neolithicum. Bij booronderzoek werden in vrijwel alle boringen archeologische indicatoren aangetroffen.
In het terrein bevindt zich op 50–80 cm onder het maaiveld een vondstenlaag, met daarin houtskool, verbrand leem, aardewerk, bot, brokjes natuursteen en fosfaatconcentraties”.

Het handgevormde aardewerk uit de ijzertijd en de Romeinse tijd van Oss-Ussen

Het handgevormde aardewerk uit de ijzertijd en de Romeinse tijd van Oss-Ussen 
Studies naar typochronologie, technologie en herkomst

Proefschrift

ter verkrijging van de graad van Doctor aan de Universiteit Leiden op gezag van Rector Magnificus prof.mr.dr. P.F. van der Heijden volgens besluit van het College voor Promoties te verdedigen op donderdag 25 oktober 2012 klokke 13.45 uur door Pieter Willem van den Broeke geboren te Vlaardingen in 1952.

Al een kwart eeuw geleden verschenen er in de bundel Getekend zand twee artikelen die als een samenvatting van het nu uitgekomen proefschrift beschouwd kunnen worden. Dat ik in de tussentijd vaak persoonlijk beschikbaar was om het gemis aan een volledige publicatie te compenseren met de mondelinge datering van vondstcomplexen en het identificeren van briquetagevaatwerk, zal voor collega’s en amateur-archeologen in den lande een schrale troost zijn geweest. Het voordeel van het lange afgelegde traject was dat ik recentelijk nog wel kon putten uit de vele publicaties die verschenen sinds de rapportageverplichting in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg.
Met dit ‘gerijpte’ proefschrift hoop ik tevens de langlopende schuld afgelost te hebben die bij mijn promotor(en) uitstond. Het was Jan (prof.dr. G.J.) Verwers, projectleider van het Leidse universitaire onderzoek in Oss, die me voorstelde om aan het aardewerk daarvan een promotie-onderzoek te wijden. Dat kon vervolgens van 1982-1985 worden uitgevoerd dankzij een subsidie van de Nederlandse Stichting voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek. Daarmee moesten bergen vondsten verzet worden. Collega Wijnand van der Sanden kon de stemming erin houden, en met hulpmiddelen zoals ponskaarten, Randlochkarten en een personal computer met wel twee floppy disk drives
zou de klus toch wel tijdig te klaren zijn…
Nadat Verwers in 1989 terugtrad als buitengewoon hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Utrecht was Leendert (prof.dr. L.P.) Louwe Kooijmans zo welwillend om het toen al ver uitgelopen onderzoek als promotor te begeleiden en jaarlijks de door ZWO/NWO opgevraagde stand van zaken in zo positief mogelijke bewoordingen te schetsen.
Niet minder stond ik in het krijt bij degenen die een directe, zeer gewaardeerde bijdrage aan het onderzoek leverden: dr. Bram van As (Universiteit Leiden),
Loe Jacobs (Universiteit Leiden), drs. Menno Jansma (Universiteit van Amsterdam) en prof.dr. Leendert van der Plas (†) (Wageningen Universiteit). Nog meer personen – voornamelijk werkzaam in het Instituut voor Prehistorie dan wel het latere Archeologisch Centrum van de Universiteit Leiden – droegen in andere vorm aan deze publicatie bij en verdienen daarvoor mijn
dank. De student-assistenten Wilfried Hessing, Menno Hoogland en Liesbeth Smits hebben talloze uren besteed aan het onmisbare voorwerk: scherven passen, plakken, beschrijven en een selectie daarvan met potlood tekenen. Een centrale plaats neemt het definitieve tekenwerk in, dat door Jan Boogerd (†) begonnen werd met een kroontjespen – waarmee hij vele honderden stuks aardewerk in inkt zette – en dat door digitaal afgesloten is met .ai, .pdf en .tif. In de tussengelegen periode tekenden ook Henk de Lorm, Jan Nederlof, Medy Oberendorff, Joanne Porck, Ide Stoepker en de auteur zelf. Ook van de tekeningen die Anne Berth Döbken (†) voor zijn scriptie over het grafveld van Oss-Ussen maakte, heb ik mogen profiteren. De foto’s zijn overwegend vervaardigd door Jan Pauptit en in beperkte mate door de auteur (slijpplaatjes). Annette Wagner zorgde voor de vertaling van de samenvatting in het Duits. Zonder discussie, steun en weerwoord komt een wetenschappelijke studie niet verder. Wat het handgevormde aardewerk betreft, heb ik in de loop der jaren veel gehad aan de contacten met de collega’s Ineke/Aniek Abbink (†), Eugene Ball, Simone Bloo,Wim De Clercq, Erik Drenth, Robert van Heeringen, Ivo Hermsen, Lucien Van Impe, Julie Van Kerckhove, Cees Koot, Huub Scholte Lubberink, Lucas Meurkens,
Angela Simons, Ernst Taayke, Marco van Trierum en Ad Verlinde.

Dankzij de medewerking van Harry Fokkens en Richard Jansen kon ik ook nog vele vondsten uit de post-Ussen-fase van het onderzoek in Oss doornemen.
Talloos waren de amateur-archeologen(kringen) waar ik gastvrij ontvangen werd wanneer ik op pad was om een indruk te krijgen van wat de ZuidNederlandse en Vlaamse bodem had prijsgegeven buiten hetgeen in de publicaties te vinden was. Het meest intensief was dat wel bij de Historische Kring Kesteren e.o., en vooral bij de AWN-afdeling Nijmegen e.o., toen nog onder leiding van Wim Tuijn. Gerard Smits zorgde voor een stroom van aardewerktekeningen uit de regio Oss. En dit proefschrift zou zeker veel dunner geworden zijn zonder de inspanningen van de leden van de Heemkundekring Maasland, die – onder aanvoering van Gerard van Alphen – naast de Leidse opgravers veel vondsten geborgen hebben die hier zijn weergegeven.
Zoals het een levenswerk betaamt, blijft dat ook in de persoonlijke omgeving niet onopgemerkt. Margreet mag nu op een socialere vrije-tijdsbesteding van mijn kant rekenen, wat overigens – ook bij Gillis en Gerben – niet de illusie mag wekken dat de wetenschap nu wel genoeg gediend is.

Veldhandleiding Archeologie

De Veldhandleiding Archeologie is het eerste deel van een reeks die door het College voor de Archeologische Kwaliteit zal worden uitgegeven. Het doel van de reeks Archeologie Leidraad is archeologen behulpzaam te zijn bij het bewa- ken en of verhogen van de kwaliteit van hun handelen op allerlei terrein. De publicaties zijn bedoeld als ondersteuning van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, waarin de minimale kwaliteitseisen, normen en richtlijnen van het archeologisch werkproces zijn omschreven.
Deze eerste Leidraad is hiervan een goed voorbeeld. De samenstellers hebben er naar gestreefd een informatieve en praktische handleiding samen te stellen. Het heeft nadrukkelijk geen prescriptief karakter; er worden wel aanbevelingen gedaan en richtlijnen gegeven, maar geen zaken verplicht gesteld.

De Veldhandleiding Archeologie is in de eerste plaats bedoeld als praktische handleiding voor archeologen in het veld, die tijdens hun werkzaamheden worden geconfronteerd met uiteenlopende materiaalcategorieën en onder- zoekstechnieken. Vaak is het niet duidelijk hoe de verschillende vondstgroepen het best verzameld, bemonsterd en bewaard kunnen worden en wat het belang ervan kan zijn. Daardoor komt het regelmatig voor dat specialisten te maken krijgen met onvolledig verzamelde vondstgroepen, met verontreinigde monsters of onjuist geconserveerde objecten. Het gevolg is dat daarom vaak geen opti- maal onderzoeksrendement wordt verkregen. Om deze situatie te verbeteren is aan verschillende (materiaal)specialisten gevraagd een beknopte handleiding te schrijven over de aard, het belang en de verzamelwijze(n) van verschillende vondstgroepen.
Daarnaast kan de Veldhandleiding Archeologie ook nuttig zijn voor diegenen die een Programma van Eisen of een Plan van Aanpak moeten opstellen. Ook voor onderwijsdoeleinden kan deze publicatie worden benut.
Vrijwel alle bijdragen hebben een identieke structuur. De afzonderlijke hoofd- stukken beginnen met een beknopte omschrijving van de aard en het voorko- men van de specifieke vondstgroep. Vervolgens wordt het onderzoek (moge- lijkheden en technieken) kort toegelicht. Hierna komen verschillende aspecten van het ‘veldwerk’ aan de orde. De wijze van verzamelen, bemonsteren, reinigen en (tijdelijke) opslag worden daarbij behandeld. De bijdragen worden afgesloten met de vermelding van specifieke literatuur en websites en adres- sen van (Nederlandse) specialisten voor de betreffende materiaalcategorie.
De specialisten die aan de totstandkoming van de Veldhandleiding Archeologie hebben bijgedragen, zijn werkzaam bij archeologische bedrijven, overheden en universiteiten. Op verzoek van de samenstellers hebben ze hun afzonderlijke bijdragen eveneens voorgelegd aan hun collega’s, die eveneens werkzaam
zijn op het betreffende specialistische terrein. Op deze wijze kon een breed inhoudelijk draagvlak worden gecreëerd en zouden er zo min mogelijk aan- bevelingen over het hoofd worden gezien.

De bijdragen zijn, in samenwerking met collega-specialisten, verzorgd door: B. Beerenhout (visresten), P. Bitter (ceramiek), S. Bloo (prehistorisch aarde- werk), K. van der Borg (14C-datering), S.Y. Comis (textiel), J. van Dijk (dierlijke resten) , C. van Driel-Murray (leer), K. Esser (dierlijke resten), E. Jansma (dendrochronologisch onderzoek), I. Joosten (slakken), E.A.K. en H. Kars (natuursteen), L. Kooistra (botanische macroresten, pollen en sporen),
M.J.Kooistra(micromorfologie), J.F.P.Kottman(glas),W.Kuijper(schelpen), R. Lagas (chemisch onderzoek), H.J.M. Meijers (metaal), P. van Rijn (hout), J. Schelvis (mijten en insecten), L. Smits (menselijk skeletmateriaal) en L.B.M. Verhart (vuursteen).
De samenstelling en redactie was is handen van A. Carmiggelt en P.J.W.M. Schulten.
De publicatie is tot stand gekomen dankzij een financiële bijdrage van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
Het College is samenstellers en genoemde specialisten erkentelijk voor hun bereidwillige medewerking.
R.W. Brandt
Voorzitter van het College voor de Archeologische Kwaliteit

Wonen op Niveau

Wonen op Niveau

Wonen op Niveau

Dienst stadsontwikkeling en beheer
Volkshuisvesting monumentenzorg en archeologie

               
Archeologie, bouwhistorie en historie van twee percelen aan de Langestraat

Rapporten over de Alkmaarse Monumentenzorg en Archeologie Rapport 5
Tweede herziene druk

Trefwoorden: Alkmaar: archeologie; bouwhistorie; bewoningsgeschiedenis; historie; ceramiek: glas; hout; been; metaal; kleipijpen; biologisch/organisch materiaal: beerput-onderzoek

De aanleiding tot een archeologisch onderzoek is vaak een bouwproject. Veelal gaat het om stedelijke vernieuwing en verbeteringen ten opzichte van de bestaande bebouwing. In het geval van het onderzoek dat in dit rapport beschreven wordt, ligt dit anders. Een rampzali- ge brand legde immers twee monumentale panden aan de Langestraat in de as. Een schrale troost voor monumentenzorger Piet Verhoeven moge zijn, dat de ramp werd gevolgd door een succesvol archeologisch onderzoek en een boeiend rapport. De vele fraaie vondsten zijn te bezichtigen in het Archeologisch Centrum Alkmaar, dat op 19 april 1997 in het pand Oude gracht 245 is geopend.

Ik wens de lezer veel lees- en kijkplezier bij de bestudering van dit vijfde Rapport over de Alkmaarse Monumentenzorg en Archeologie.
Mr MJM Boekel, algemeen directeur dienst Stadsontwikkeling en Beheer, gemeente Alkmaar.

 

Het verhaal van de Romeinen in Gelderland op 10 plekken

Het verhaal van de Romeinen in Gelderland op 10 plekken

 

De Tijdreisgids van Romeins Gelderland. Het verhaal van de Romeinen in Gelderland op 10 plekken. Hoe met de Romeinen de toekomst begon is tot stand gekomen door Provincie Gelderland in samenwerking met Erfgoed Gelderland in het kader van ‘Beleef het in Gelderland’.
‘Beleef het in Gelderland’ richt zich op het vergroten van de kwaliteit en kansen voor toeristen en Gelderlanders. Met thematische verhaallijnen maken we de toeristische kwaliteiten van Gelderland beter zichtbaar en zorgen we voor nieuwe impulsen. Dit leidt onder meer tot nieuwe producten en
arrangementen Samen met partners is gekozen voor de verhalen: Hanzesteden, Kastelen en buitenplaatsen en Romeinen.
De auteurs en onderzoekers Willeke en Carolien Guelen hebben aan deze opdracht een bijzondere invulling gegeven door het concept Tijdreisgids te bedenken.

Onderzoek, concept & tekst
Carolien Guelen
Willeke Guelen
In opdracht van
Provincie Gelderland en Erfgoed Gelderland
Juli 2020

Archeologie van de Tweede Wereldoorlog

Archeologie van de Tweede Wereldoorlog

Uit het Voorwoord: Dit rapport laat zien dat de archeologie uit juist deze periode niet het exclusieve domein is van experts, maar het terrein moet delen met vrijwilligers en metaaldetectorzoekers. Net zoals elders in de archeologie spelen ook hier economische wetmatigheden: er bestaat een levendige handel in militaria van allerlei soorten. Natuurlijk gaat onvervangbare informatie verloren wanneer deze objecten zonder documentatie uit hun context worden verwijderd. Maar de auteurs stellen daar tegenover dat wanneer (enthousiaste) amateurs volgens een paar basale richtlijnen tewerk gaan zij een belangrijke workforce vormen en tevens ambassadeurs kunnen zijn van dit nieuwe aandachtsveld in de archeologie.

De aandacht voor de Tweede Wereldoorlog blijft ongekend groot. Nu komt ook die van de archeologen erbij. Deze oorlog heeft immers sporen nagelaten in het Nederlandse bodemarchief. Sommige zijn zichtbaar, zoals bomkraters, schutterputjes en kazematten. Andere sporen zijn minder zichtbaar, zoals explosieven, stoffelijke resten en vliegtuigwrakken.

Sinds enkele jaren worden steeds meer opgravingen uitgevoerd gericht op resten uit de oorlogsjaren.

Naast bijzondere ontdekkingen brengen ze ook ‘nieuwe problemen’ in beeld; dat wil zeggen, het gaat om onderzoek dat speciale eisen stelt. Hoe ga je bij een archeologische opgraving om met explosieven? Wat doe je als je stoffelijke resten aantreft? Hoe gaat een archeoloog om met de sterke emoties van het publiek?