Kofferbak

Het is zondagochtend, 7 uur. Ik rij op de weg van Beziers naar Agde. Het is stil. Ongekend stil. Andere jaren om deze tijd is het verkeer naar de stranden al flink op gang. Maar dit jaar is alles anders. Geen Nederlanders, geen Belgen. Maar vooral: geen Grote Britten. Covid-19 en Brexit hebben hun tol geëist voor de toeristenindustrie.

Voor mij is het wel fijn. Ik ga strandjutten en ben snel bij het strand. In het verlengde van “mudlarking’’ waar ik al eens over schreef, vind ik het ook heel leuk om aan het strand te kijken. Wat ik vind? Het kan van alles zijn. Zeeglas en zee-aardewerk zijn favoriet. Het zijn scherven die door de zee zijn gepolijst tot een prachtige afgeronde vorm. Er worden vaak sieraden mee gemaakt. Ook andere voorwerpen, zowel natuurlijk als door de mens achtergelaten, kunnen door de zee worden afgeschuurd. Hout, schelpen, scheepsbenodigdheden…ik zoek er graag naar. En bij de kaap van Agde is een lavastrand waar de mooiste stukjes liggen. Vandaar mijn trip hierheen.

Ik moet denken aan de eerste keer dat ik hier kwam. We hadden ons vakantiehuis net gekocht en ik raakte met Wim Tuijn aan de praat over het gebied. Hij was er veel geweest en wees mij op interessante plekken. Narbonne, de Via Domitia, Enserune en ook Cap d’Agde. Op een druilerige herfstdag maakten we onze eerste tocht die kant op. Het kustgebied met gesloten strandtenten lag er onder de donkere wolken troosteloos bij. Maar we bezochten het archeologische museum ter plekke, een positieve herinnering. En ik stuurde een ansichtkaart naar Wim met een foto van de Ephèbe, het beeld dat ooit de aanleiding vormde om het museum te bouwen.

Op de terugweg van het strand rijd ik in een opwelling de oprit van het museum op. Ik kom hier zelden in de zomer, er is maar één weg naar de kust en die is altijd bomvol. Maar nu is het te doen. Het museum heeft een naamsverandering ondergaan. Het heet nu Musée d’Ephèbe et d’Archéologie Sous-Marine de la Ville d’Agde. Een hele mond vol. Museum voor de Ephebe en voor de onderzeearcheologie van de stad Agde.  Achter de balie zitten twee dames. Voor vier euro mag ik naar binnen. De degelijke mevrouw bij de kassa vraagt of ik een tablet wil meenemen voor meer uitleg. Als ik ja zeg moet ik wel mijn rijbewijs inleveren als onderpand. Na een korte aarzeling doe ik het maar. Maar eigenlijk kan dat niet, vind ik.

De andere mevrouw, een fraai gebruind ‘meisje van 50’ legt zeer summier uit hoe de tablet werkt. En vraagt of ik eerst de introductiefilm wil zien. Als blijkt dat die 38 minuten duurt sla ik dat aanbod maar af. Hoezo introductie? In de eerste zaal lukt het niet om de QR-code in te scannen. Er klinkt steeds een ontkennende piep. De degelijke kassamevrouw komt zuchtend op het geluid af (duidelijk niet de eerste keer) en legt uit dat ik probeer een QR van de kinderroute te scannen. Die heet Mercator. Maar ik moet eerst op de knop Encyclopedie drukken. Die is voor volwassenen. Daarna volgt een tirade over de tekortkomingen van haar gebruinde collega. Ik probeer het tij te keren door te vragen waar de zaalnummering op de plattegrond terugkomt in de zalen. Maar die komt niet terug: de nummers staan toch al op de plattegrond, dat is toch voldoende? Ik ga niet in discussie.

Ik moet inmiddels plassen en probeer op de kaart vergeefs de wc’s te vinden. Ik ga maar weer terug naar de kassa. Het is blijkbaar zo ingewikkeld dat de zonovergoten mevrouw mij voorgaat. Ik loop achter haar aan. Het is duidelijk dat haar kennis en ervaring liggen op de ontwikkeling en het onderhoud van haar fantastisch gebruinde benen. Ik moet meteen aan Bomans denken: ‘Al had mijn vrouw maar één zo’n been’. Als ik uit de wc kom sta ik er alleen voor. Ik besluit de tablet maar te laten voor wat hij is en te zien waar ik uitkom. En ja, de amforenwand is nog net zo indrukwekkend als toen. 

 

Fraai vind ik de zware stenen, die ankers blijken te zijn. Prachtige robuuste artefacten. De oudste dateren van rond 3000 voor Christus en bestaan uit een steen, al dan niet met een groef of gat, met daaraan een touw geknoopt. Hier gaat het puur om het gewicht. De ankers met de drie gaten zijn meer geavanceerd. Het bovenste gat is voor het touw, in de onderste twee gaten staken houten balken, die voor verankering in de zeebodem zorgden. Deze ankers werden al tussen de tiende en de zevende eeuw voor Christus gebruikt. De gebeitelde tekens zijn waarschijnlijk eigendomsaanduidingen of verwijzing naar het bijbehorende schip. En zo is er veel meer moois. Ik probeer de tablet nog eens uit voor meer info. Maar hoe raar is dit: de panelen aan de wand geven meer info dan de tablet. De omgekeerde wereld?

Ik zoek de Ephèbe. ‘Schone jongeling’ in het Grieks. Het gaat om een bronzen beeld dat op een zondag in 1964 door amateur-onderwaterarcheologen op acht meter diepte is gevonden in de monding van de rivier de Herault. Het prachtige beeld is Grieks en stamt uit de tweede eeuw voor Christus. Er is veel gediscussieerd over wie het beeld voorstelt. In eerste instantie dacht men aan Apollo. Later werd meer generiek gedacht aan ‘een’ Ephèbe, waarbij dat in Athene, in de vijfde eeuw voor Christus, de specifieke benaming is voor een jonge militair, tussen 18 en 20 jaar oud, met een prettig lichaam. Tegenwoordig gaat men ervan uit dat het beeld Alexander de Grote voorstelt. Na de vondst is het naar Parijs gebracht voor restauratie en jarenlang in het Louvre getoond.

Toen Agde het beeld terug wilde, werd als voorwaarde gesteld dat er een museum zou komen om het tentoon te stellen. Door de inkomsten uit het toerisme werd dit in de jaren ’80 mogelijk. Het museum is ontworpen door dezelfde architect als het hele toeristische complex aan de kust. Ik vind het beeld in een kale achterafzaal. Net als de rest van het museum ziet alles er wat gedateerd en very eighties uit. Hoewel geprobeerd is het museum digitaal wat op te leuken kan het wel wat meer echte aandacht gebruiken. Eenmaal buiten loop ik nog een rondje over het terrein. Jammer toch dat musea soms de boot missen als het gaat om het betrekken van het publiek bij het verhaal. Ik denk aan het bericht van Aad in onze whatsappgroep over de Pest-expositie in het Valkhof. Weliswaar niet troosteloos, maar wel gebrek aan aandacht voor het perspectief van de bezoeker. Mag ik het zo voorzichtig samenvatten?

Die week horen we dat Frankrijk ‘op geel’ is gegaan. Tot dat moment waren we nog niet uit eten geweest maar we besluiten het te vieren bij ons favoriete restaurantje in het volgende dorp. We zijn er meer dan anderhalf jaar niet geweest. Ik bel om te reserveren en krijg een voor mij onbekende mevrouw aan de lijn, die onze naam noteert. Als we die avond aanschuiven moeten we lachen. Ze heeft onze naam opgeschreven als ‘Tronc’. Een André van Duin-gevoel bekruipt me. Meneer en mevrouw Kofferbak. De Caesar salade is gelukkig als vanouds.

Artefactueel -1

 

De reeks ArtefActueel biedt nieuwe inzichten in archeologisch materiaal uit de prehistorie tot de nieuwe tijd. In deze eerste bundel wordt onderzoek aan vondsten uit de Romeinse tijd tot voorbij de middeleeuwen gepresenteerd.

Te lezen: Giftige schoonheid

Een cosmetica-attribuut met loodwit uit een inheems-Romeins grafveld in Nijmegen-Noord Peter W. van den Broeke, Lucy Kubiak-Martens, Ineke Joosten, Luc Megens en Otto Brinkkemper
Steekwoorden: loodwit, cosmetica, holpijp, kistgraf, Romeinse tijd

Andere onderwerpen in de te bestellen uitgave:

De vindplaats in scherven
Een eerste aanzet voor een analyse van de fragmentatie van aardewerk in de Romeinse tijd Roderick C.A. Geerts

De tubulus cuneatus:
een ‘vergeten’ Romeins verwarmingselement Karakterisering aan de hand van enkele Nederlandse vondsten Tim R. Clerbaut

Geglazuurd kogelpotaardewerk uit Noord-Nederland
Van ongewone scherven en waar je ze kunt vinden Martha de Jong

Klokkengietersafval Vondstmateriaal,
historische bronnen en reconstructies Anita A. Koster

Op zoek naar kledinghaken in kunstwerken
Wat Bruegel en andere meesters ons kunnen vertellen over het gebruik van een kledingaccessoire Jelle van Hemert

Onverwachte ontdekkingen
Chemische analyse van amorfe organische residuen met behulp van infraroodspectroscopie Tania F.M. Oudemans

Peter van den Broeke
Spreker van vanavond: Peter van den Broeke

Op de schervenavond van 2019 heb ik een korte lezing gehouden over een cosmetisch attribuut uit Nijmegen-Noord. Nu het artikel daarover is uitgekomen, is het beschikbaar om desgewenst onder de AWN’ers verspreiden. Het komt uit de eerste bundel van een nieuwe reeks die door leden van de vereniging van archeologische materiaalspecialisten wordt gemaakt. De bundel als geheel is te bestellen bij SPA, zoals je kunt opmaken uit het voorwerk (€ 17,95).

Terug naar overzicht ‘Vrij om te lezen’

 

 

 

 

Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst

Archeologie en geschiedenis van een middeleeuwse woonwijk onder de Hopmarkt te Aalst

Relicta Monografieën 16

Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen Heritage Research in Flanders

Voorwoord

Dit boek verzamelt de onderzoeksresultaten over de middeleeuwse en oudere geschiedenis van de Hopmarkt in de stad Aalst (provincie Oost-Vlaanderen). Naar aanleiding van de inmiddels gerealiseerde bouw van een ondergrondse parkeergarage werd het zuidelijke deel van dit plein archeologisch onderzocht van 15 maart 2004 tot eind december 2005. Dit opgravingsproject was een samenwerking tussen het toenmalige Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), nu deel van het agentschap Onroerend Erfgoed (OE), en het stadsbestuur van Aalst, dat het project grotendeels financierde. Samen stelden ze een projectploeg samen van vier archeologen en zeven technische medewerkers onder de wetenschappelijke leiding van het VIOE. De opgraving omvatte een totale oppervlakte van ongeveer 3200 m² die integraal onderzocht werd. De archeologische horizont had een gemiddelde dikte van twee meter en bestond uit vele duizenden sporen en tienduizenden vondsten van de prehistorie tot de 20ste eeuw. Dit boek is de derde publicatie die uit dit onderzoek voortvloeit1 en is de eerste die alle sporen en vondsten behandelt uit de periode vóór het karmelietenklooster, dat in 1497 op deze plaats was opgericht. In 2011 voerde de archeologische cel van de intercommunale Solva aanvullend archeologisch onderzoek uit naar aanleiding van de aanvang van de bouwwerken2. Dit onderzoek is niet opgenomen in deze studie, met uitzondering van het botmateriaal uit de poel en enkele uitzonderlijke vondsten. Deze zullen steeds apart vermeld worden.

Terug naar overzicht ‘Vrij om te lezen’

 

Identificatie van een prehistorisch grafveld in de Westermeerwijk

Grafheuvels Groesbeek

Identificatie van een prehistorisch grafveld in de Westermeerwijk, gemeente Berg en Dal

Tijdens het bestuderen van de digitale reliëfkaarten opgenomen in het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN2), werd door het AWN-lid Paul Klinkenberg in een op het grondgebied van de gemeente Berg en Dal gelegen bosperceel ten zuidwesten van het in de hoek van de Meerwijkselaan en de Postweg gelegen Afrikamuseum in 2014 een zestal opmerkelijke verhogingen waargenomen.

Op verzoek van Paul Klinkenberg werd in opdracht van AWN-afdeling 16 Nijmegen en omstreken, met medeweten en medewerking van de gemeente Berg en Dal, de regionaal archeoloog (S. van Roode) en Staatsbosbeheer, op 12 maart 2016 door enkele leden van genoemde AWN-afdeling een niet-gravend onderzoek ingesteld naar bedoelde heuvels. In dit rapport worden de bevindingen van het onderzoek weergegeven.

 

Terug naar overzicht ‘Vrij om te lezen’

 

 

Proefsleuvenonderzoek in het plangebied Vossenpels te Lent

Plan Vossepels Lent

Proefsleuvenonderzoek in het plangebied Vossenpels te Lent:
Project Vos1

In de digitale studiezaal Nijmegen zijn alle onderzoeken van het Archeologisch Bureau Nijmegen gratis te bestuderen, hier een voorbeeld.

De reeks Archeologische Berichten Nijmegen, waarin de archeologische onderzoeken worden beschreven die binnen de grenzen van de Gemeente Nijmegen zijn uitgevoerd. De rapporten zijn niet alleen voor archeologen geschikt, maar zeker ook voor de geïnteresseerde lezer.

“Het plangebied Vossenpels 1 ligt volgens Archis deels binnen een archeologisch monument van archeologische waarde (Archis-nr. 12471.14 Volgens Archis betreft het een terrein, gelegen op een oeverwal, met sporen van een nederzetting uit het laat neolithicum. Bij booronderzoek werden in vrijwel alle boringen archeologische indicatoren aangetroffen.
In het terrein bevindt zich op 50–80 cm onder het maaiveld een vondstenlaag, met daarin houtskool, verbrand leem, aardewerk, bot, brokjes natuursteen en fosfaatconcentraties”.

 

Terug naar overzicht ‘Vrij om te lezen’

 

 

Het handgevormde aardewerk uit de ijzertijd en de Romeinse tijd van Oss-Ussen

Het handgevormde aardewerk uit de ijzertijd en de Romeinse tijd van Oss-Ussen 
Studies naar typochronologie, technologie en herkomst

Proefschrift

ter verkrijging van de graad van Doctor aan de Universiteit Leiden op gezag van Rector Magnificus prof.mr.dr. P.F. van der Heijden volgens besluit van het College voor Promoties te verdedigen op donderdag 25 oktober 2012 klokke 13.45 uur door Pieter Willem van den Broeke geboren te Vlaardingen in 1952.

Al een kwart eeuw geleden verschenen er in de bundel Getekend zand twee artikelen die als een samenvatting van het nu uitgekomen proefschrift beschouwd kunnen worden. Dat ik in de tussentijd vaak persoonlijk beschikbaar was om het gemis aan een volledige publicatie te compenseren met de mondelinge datering van vondstcomplexen en het identificeren van briquetagevaatwerk, zal voor collega’s en amateur-archeologen in den lande een schrale troost zijn geweest. Het voordeel van het lange afgelegde traject was dat ik recentelijk nog wel kon putten uit de vele publicaties die verschenen sinds de rapportageverplichting in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg.
Met dit ‘gerijpte’ proefschrift hoop ik tevens de langlopende schuld afgelost te hebben die bij mijn promotor(en) uitstond. Het was Jan (prof.dr. G.J.) Verwers, projectleider van het Leidse universitaire onderzoek in Oss, die me voorstelde om aan het aardewerk daarvan een promotie-onderzoek te wijden. Dat kon vervolgens van 1982-1985 worden uitgevoerd dankzij een subsidie van de Nederlandse Stichting voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek. Daarmee moesten bergen vondsten verzet worden. Collega Wijnand van der Sanden kon de stemming erin houden, en met hulpmiddelen zoals ponskaarten, Randlochkarten en een personal computer met wel twee floppy disk drives
zou de klus toch wel tijdig te klaren zijn…
Nadat Verwers in 1989 terugtrad als buitengewoon hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Utrecht was Leendert (prof.dr. L.P.) Louwe Kooijmans zo welwillend om het toen al ver uitgelopen onderzoek als promotor te begeleiden en jaarlijks de door ZWO/NWO opgevraagde stand van zaken in zo positief mogelijke bewoordingen te schetsen.
Niet minder stond ik in het krijt bij degenen die een directe, zeer gewaardeerde bijdrage aan het onderzoek leverden: dr. Bram van As (Universiteit Leiden),
Loe Jacobs (Universiteit Leiden), drs. Menno Jansma (Universiteit van Amsterdam) en prof.dr. Leendert van der Plas (†) (Wageningen Universiteit). Nog meer personen – voornamelijk werkzaam in het Instituut voor Prehistorie dan wel het latere Archeologisch Centrum van de Universiteit Leiden – droegen in andere vorm aan deze publicatie bij en verdienen daarvoor mijn
dank. De student-assistenten Wilfried Hessing, Menno Hoogland en Liesbeth Smits hebben talloze uren besteed aan het onmisbare voorwerk: scherven passen, plakken, beschrijven en een selectie daarvan met potlood tekenen. Een centrale plaats neemt het definitieve tekenwerk in, dat door Jan Boogerd (†) begonnen werd met een kroontjespen – waarmee hij vele honderden stuks aardewerk in inkt zette – en dat door digitaal afgesloten is met .ai, .pdf en .tif. In de tussengelegen periode tekenden ook Henk de Lorm, Jan Nederlof, Medy Oberendorff, Joanne Porck, Ide Stoepker en de auteur zelf. Ook van de tekeningen die Anne Berth Döbken (†) voor zijn scriptie over het grafveld van Oss-Ussen maakte, heb ik mogen profiteren. De foto’s zijn overwegend vervaardigd door Jan Pauptit en in beperkte mate door de auteur (slijpplaatjes). Annette Wagner zorgde voor de vertaling van de samenvatting in het Duits. Zonder discussie, steun en weerwoord komt een wetenschappelijke studie niet verder. Wat het handgevormde aardewerk betreft, heb ik in de loop der jaren veel gehad aan de contacten met de collega’s Ineke/Aniek Abbink (†), Eugene Ball, Simone Bloo,Wim De Clercq, Erik Drenth, Robert van Heeringen, Ivo Hermsen, Lucien Van Impe, Julie Van Kerckhove, Cees Koot, Huub Scholte Lubberink, Lucas Meurkens,
Angela Simons, Ernst Taayke, Marco van Trierum en Ad Verlinde.

Dankzij de medewerking van Harry Fokkens en Richard Jansen kon ik ook nog vele vondsten uit de post-Ussen-fase van het onderzoek in Oss doornemen.
Talloos waren de amateur-archeologen(kringen) waar ik gastvrij ontvangen werd wanneer ik op pad was om een indruk te krijgen van wat de ZuidNederlandse en Vlaamse bodem had prijsgegeven buiten hetgeen in de publicaties te vinden was. Het meest intensief was dat wel bij de Historische Kring Kesteren e.o., en vooral bij de AWN-afdeling Nijmegen e.o., toen nog onder leiding van Wim Tuijn. Gerard Smits zorgde voor een stroom van aardewerktekeningen uit de regio Oss. En dit proefschrift zou zeker veel dunner geworden zijn zonder de inspanningen van de leden van de Heemkundekring Maasland, die – onder aanvoering van Gerard van Alphen – naast de Leidse opgravers veel vondsten geborgen hebben die hier zijn weergegeven.
Zoals het een levenswerk betaamt, blijft dat ook in de persoonlijke omgeving niet onopgemerkt. Margreet mag nu op een socialere vrije-tijdsbesteding van mijn kant rekenen, wat overigens – ook bij Gillis en Gerben – niet de illusie mag wekken dat de wetenschap nu wel genoeg gediend is.

 

Terug naar overzicht ‘Vrij om te lezen’

 

 

Veldhandleiding Archeologie

De Veldhandleiding Archeologie is het eerste deel van een reeks die door het College voor de Archeologische Kwaliteit zal worden uitgegeven. Het doel van de reeks Archeologie Leidraad is archeologen behulpzaam te zijn bij het bewa- ken en of verhogen van de kwaliteit van hun handelen op allerlei terrein. De publicaties zijn bedoeld als ondersteuning van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, waarin de minimale kwaliteitseisen, normen en richtlijnen van het archeologisch werkproces zijn omschreven.
Deze eerste Leidraad is hiervan een goed voorbeeld. De samenstellers hebben er naar gestreefd een informatieve en praktische handleiding samen te stellen. Het heeft nadrukkelijk geen prescriptief karakter; er worden wel aanbevelingen gedaan en richtlijnen gegeven, maar geen zaken verplicht gesteld.

De Veldhandleiding Archeologie is in de eerste plaats bedoeld als praktische handleiding voor archeologen in het veld, die tijdens hun werkzaamheden worden geconfronteerd met uiteenlopende materiaalcategorieën en onder- zoekstechnieken. Vaak is het niet duidelijk hoe de verschillende vondstgroepen het best verzameld, bemonsterd en bewaard kunnen worden en wat het belang ervan kan zijn. Daardoor komt het regelmatig voor dat specialisten te maken krijgen met onvolledig verzamelde vondstgroepen, met verontreinigde monsters of onjuist geconserveerde objecten. Het gevolg is dat daarom vaak geen opti- maal onderzoeksrendement wordt verkregen. Om deze situatie te verbeteren is aan verschillende (materiaal)specialisten gevraagd een beknopte handleiding te schrijven over de aard, het belang en de verzamelwijze(n) van verschillende vondstgroepen.
Daarnaast kan de Veldhandleiding Archeologie ook nuttig zijn voor diegenen die een Programma van Eisen of een Plan van Aanpak moeten opstellen. Ook voor onderwijsdoeleinden kan deze publicatie worden benut.
Vrijwel alle bijdragen hebben een identieke structuur. De afzonderlijke hoofd- stukken beginnen met een beknopte omschrijving van de aard en het voorko- men van de specifieke vondstgroep. Vervolgens wordt het onderzoek (moge- lijkheden en technieken) kort toegelicht. Hierna komen verschillende aspecten van het ‘veldwerk’ aan de orde. De wijze van verzamelen, bemonsteren, reinigen en (tijdelijke) opslag worden daarbij behandeld. De bijdragen worden afgesloten met de vermelding van specifieke literatuur en websites en adres- sen van (Nederlandse) specialisten voor de betreffende materiaalcategorie.
De specialisten die aan de totstandkoming van de Veldhandleiding Archeologie hebben bijgedragen, zijn werkzaam bij archeologische bedrijven, overheden en universiteiten. Op verzoek van de samenstellers hebben ze hun afzonderlijke bijdragen eveneens voorgelegd aan hun collega’s, die eveneens werkzaam
zijn op het betreffende specialistische terrein. Op deze wijze kon een breed inhoudelijk draagvlak worden gecreëerd en zouden er zo min mogelijk aan- bevelingen over het hoofd worden gezien.

De bijdragen zijn, in samenwerking met collega-specialisten, verzorgd door: B. Beerenhout (visresten), P. Bitter (ceramiek), S. Bloo (prehistorisch aarde- werk), K. van der Borg (14C-datering), S.Y. Comis (textiel), J. van Dijk (dierlijke resten) , C. van Driel-Murray (leer), K. Esser (dierlijke resten), E. Jansma (dendrochronologisch onderzoek), I. Joosten (slakken), E.A.K. en H. Kars (natuursteen), L. Kooistra (botanische macroresten, pollen en sporen),
M.J.Kooistra(micromorfologie), J.F.P.Kottman(glas),W.Kuijper(schelpen), R. Lagas (chemisch onderzoek), H.J.M. Meijers (metaal), P. van Rijn (hout), J. Schelvis (mijten en insecten), L. Smits (menselijk skeletmateriaal) en L.B.M. Verhart (vuursteen).
De samenstelling en redactie was is handen van A. Carmiggelt en P.J.W.M. Schulten.
De publicatie is tot stand gekomen dankzij een financiële bijdrage van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
Het College is samenstellers en genoemde specialisten erkentelijk voor hun bereidwillige medewerking.
R.W. Brandt
Voorzitter van het College voor de Archeologische Kwaliteit

 

Terug naar overzicht ‘Vrij om te lezen’

 

 

Wonen op Niveau

Wonen op Niveau

Wonen op Niveau

Dienst stadsontwikkeling en beheer
Volkshuisvesting monumentenzorg en archeologie

               
Archeologie, bouwhistorie en historie van twee percelen aan de Langestraat

Rapporten over de Alkmaarse Monumentenzorg en Archeologie Rapport 5
Tweede herziene druk

Trefwoorden: Alkmaar: archeologie; bouwhistorie; bewoningsgeschiedenis; historie; ceramiek: glas; hout; been; metaal; kleipijpen; biologisch/organisch materiaal: beerput-onderzoek

De aanleiding tot een archeologisch onderzoek is vaak een bouwproject. Veelal gaat het om stedelijke vernieuwing en verbeteringen ten opzichte van de bestaande bebouwing. In het geval van het onderzoek dat in dit rapport beschreven wordt, ligt dit anders. Een rampzali- ge brand legde immers twee monumentale panden aan de Langestraat in de as. Een schrale troost voor monumentenzorger Piet Verhoeven moge zijn, dat de ramp werd gevolgd door een succesvol archeologisch onderzoek en een boeiend rapport. De vele fraaie vondsten zijn te bezichtigen in het Archeologisch Centrum Alkmaar, dat op 19 april 1997 in het pand Oude gracht 245 is geopend.

Ik wens de lezer veel lees- en kijkplezier bij de bestudering van dit vijfde Rapport over de Alkmaarse Monumentenzorg en Archeologie.
Mr MJM Boekel, algemeen directeur dienst Stadsontwikkeling en Beheer, gemeente Alkmaar.

 

 

Terug naar overzicht ‘Vrij om te lezen’