Vannus

‘Panne an der Wanne?’ staat er op de witte bestelauto voor ons. Ik heb een verkeerde afslag genomen. Het is gezellig in de auto en ik heb niet naar mijn zoetgevooisde navigatrice geluisterd. En terwijl ik me dus eigenlijk moet concentreren op de weg, terug naar de juiste route, gooi ik deze vraag die in mijn achterhoofd blijft hangen in de groep. ‘Wanne is volgens mij badkuip’, helpt Marijke. Nu snap ik Panne meteen ook. Ah, een loodgieter! Dat kan weer uit mijn hoofd.

We zijn met z’n vieren op weg naar Trier. Een onregelmatig terugkerend reisje, iedere keer als er in Trier weer een mooie expositiereeks is over het Romeinse verleden. En dat is nu het geval. Drie exposities vullen elkaar aan, maar staan ook op zichzelf. Ze hebben alle drie te maken met de val van het Romeinse Rijk. Maar voordat we de musea induiken besluiten we – gezien het mooie weer – na aankomst eerst naar het Amfitheater te wandelen, dat een beetje uit de route aan de rand van de (Romeinse) stad ligt. Drie van ons zijn er nooit eerder geweest.

Dit amfitheater is deels in/tegen een natuurlijke berghelling gebouwd. Zo heb je de gelegenheid om de lay-out en de omgeving van bovenaf te overzien, precies zoals dat in de Romeinse tijd al kon. Het bijzondere hier is dat de Romeinse stadsmuur deels door en over het Amfitheater loopt, zie de impressie hieronder. Daardoor fungeerde het in feite als vierde stadspoort tot de stad. De toegangsweg liep dwars door de arena heen. Rechtsonder kwam je van buiten de stadmuur, linksboven kom je binnen de stadsmuur de arena weer uit.

Er zijn veel informatieborden, die goed uitleggen wat er gevonden is en wat er aan restauratie is gepleegd. De toeristenbelasting werpt zijn vruchten af. Vondsten tonen aan dat het amfitheater tot in de 7e eeuw is gebruikt. Daarna raakte het in verval en werd het bouwmateriaal verwijderd/gejat voor hergebruik elders in de stad. Waar ooit de tribunes waren werden de hellingen voor wijnbouw gebruikt.

Wat ons aanspreekt is de reconstructie van de ruimte onder de daadwerkelijke arena. Boven denk je dat je op een vaste ondergrond staat, maar in feite is een groot deel als het ware ‘hol’.  

De na opgravingen gevonden kruisvormige uitsparing onder de arena is zo’n 30 meter lang, 50 meter breed en 3 meter diep. Het water dat zich hier verzamelt wordt via een kanaal (1) tot op de dag van vandaag afgevoerd. Het complete houten gewelf op de bovenste foto is uiteraard volledig een reconstructie, gebaseerd op de restanten van het oorspronkelijke materiaal.

Ook zijn er restanten gevonden van vele houten verdiepingen en balken. Waarschijnlijk waren dit verschillende takelsystemen waarmee acteurs, wilde dieren of coulissestukken naar de arena konden worden gehesen.

Imposant, geweldig, magistraal wat ze konden maken, maar de vergelijking met Qatar dringt zich onafwendbaar op. Zonder slaven geen Amfitheater, zonder slaven geen ‘spelen’. Soms liggen verleden en heden akelig dicht bij elkaar. In een van de musea vinden we dit TS schaaltje met een decoratie die wat dat betreft niets aan de verbeelding overlaat. Gezellig aan tafel…

De volgende ochtend starten we met onze museumtoer. Nog voor we ergens binnen zijn wordt ons al op het hart gedrukt dat er bij de speciale exposities nergens gefotografeerd mag worden. Dat wordt een kaal blogje, denk ik nog.

In het Stadtmuseum (bij de Porta Nigra) zien we de expositie ‘De nalatenschap van Rome: visies en mythen in de kunst’. Kunstwerken uit de laatste vijf eeuwen tonen de blijvende fascinatie met Rome, haar visie en haar helden. Daarbij is ook aandacht voor helden die juist streden voor onafhankelijkheid van de Romeinse overheerser. Zo zien we onze eigen held van de Bataafse opstand: Julius Civilis, geschilderd door Ferdinand Bol. Arminius (die van de Varusslag) is het voorbeeld in Duitsland, je hebt Vercingetorix in Frankrijk en Boudicca in het Verenigd Koninkrijk. We zien hoe ze door bevlogen kunstenaars worden geschilderd en gebeeldhouwd. Maar we zien ook hoe ze voor het karretje van steeds weer andere ideologieën en visies worden gespannen.

‘Je mag tòch geen foto’s maken’, hoor ik in het voorbijgaan een bozige tiener zeggen, terwijl ze zich – gevolgd door drie leeftijdgenoten – met grote stappen een weg door de zaal baant. Als we later staan te praten mengt zich een Nederlander in het gesprek. Hij blijkt de leraar van de groep leerlingen van een Amsterdams gymnasium die we juist daarvoor zagen. Hij vertelt dat zijn opdracht voor de leerlingen de mist in is gegaan: de bedoeling was dat ieder groepje een videoverslag zou maken van wat ze in de expositie het meest interessant vonden. En dat wordt lastig zonder beeld. Het was duidelijk dat hij er niet onder gebukt ging en in ieder geval zelf volop genoot van deze volgestouwde expositie.


Na de lunch gaan we naar de centrale tentoonstelling in het Rheinisches Landesmuseum: ‘De ondergang van het Romeinse Rijk’. De vele factoren die op de val van het rijk van invloed zijn geweest komen aan bod. De interne strijd om de macht tussen de heersers en hun tegenstanders. Het daardoor afbrokkelen van het binnenlands gezag dat zorgde voor toenemende pressie van op macht beluste buitenstaanders, zoals locale ‘warlords’.  De veranderde relatie tussen Romeinen en inheemse stammen door de interne chaotische machtsrelaties. Een helder verhaal, waarbij ook aan bod komt hoe Romeinse tradities en vaardigheden deels verloren gingen, maar voor een deel ook bewaard bleven in de vroege middeleeuwen.

Het is veel en vol in de tentoonstellingsruimte.
Veel informatie, veel mensen. En in een vormgeving die zich best aan je opdringt. (Daar gaat ze weer, hoor ik jullie al denken.) Zo staan we opeens in een zaal die in wee jaren-80 oranje is ingericht met geometrische vormen en grote spiegels. Ik pak m’n telefoon, want dit moet je zien. Als ik één plaatje heb gemaakt voel ik een zacht tikje op mijn schouder. Een strak in het pak gestoken suppoost fluistert dat ik te ver ben gegaan. Ik leg hem uit dat ik alleen de kleur fotografeer en niet de objecten. Ik krijg een aflaat, gelukkig. Maar zeg nou zelf?

Naarmate we verder komen wordt de kleur van de omgeving donkerder. Rood, bordeaux, zwart. Suggestief voor het verval, het einde der tijden? In de laatste zaal zien we een oudere heer die de bijschriften wèl kan lezen. Hij is goed voorbereid: hij heeft een zaklamp meegenomen. Er komt zoveel op ons af dat het soms moeilijk is het allemaal te bevatten. Maar we krijgen er geen genoeg van en lopen na afloop ook nog even de vaste opstelling door. Voor de aardigheid nog even een plaatje. Slaat in dit verhaal nergens op, maar imposant is het wel.

Op de laatste dag gaan we naar het ‘Museum am Dom’. De exposities hier hebben meestal een meer religieuze inslag. Ook nu is dat het geval, de expositie heet ‘Het kruissymbool – een wereld die zich herschikt.’ Onverwacht is dit de tentoonstelling waar we het meeste archeologie terugvinden. De expositie concentreert zich op de periode tot de 7e eeuw en wil duidelijk maken wat de invloed was van het christendom op wat er in de samenleving veranderde. Opgravingen onder de voormalige St. Maximin’s Abdij tonen een zeer vroege christelijke begraafplaats. Een opeenvolging van grafstenen laat zien hoe de oudste nog volledig in de Romeinse traditie zijn gehouwen. Langzaam zie je het chi-rho teken (ofwel christusmonogram: – de eerste twee Griekse letter van het woord Christus) verschijnen: eerst klein en voorzichtig, later steeds prominenter. Vervolgens wordt ook letterlijk in de tekst duidelijk dat iemand een Christen is, bijvoorbeeld door het opnemen van het feit dat iemand gedoopt is. Prachtig, hoe de transitie in de tijd te volgen is op de gedenkstenen van één locatie. We zien oude foto’s van de genoemde opgraving, met stenen sarcofagen onregelmatig opgestapeld in vele lagen. Wat een enorme begraafplaats moet dit geweest zijn, gaat er door me heen.

Ben wijst ons op één van twee Artist Impressions aan de muur, die ik jullie helaas niet kan laten zien: hoe ze een houten takel (op het oog had dit zo een Vitruvius-ontwerp kunnen zijn) gebruiken om de sarcofagen op hun plaats te takelen. Toch is het beeld ook verwarrend: we zien allemaal stenen en sarcofagen in het zand liggen, geen grafkelders, geen crypte, geen vloer, hoe werkte dit? We doen allerlei aannames maar komen er niet uit. Ook de tweede Artist Impression, waar wel een vloer te zien is, maakt niet helder hoe dit ooit in z’n werk is gegaan.

Als we even later een filmpje kijken, valt het kwartje. De laatste interpretatie van opgravingen en vondsten laat vermoeden dat dit gebouw is ontstaan als begraafhal. Nooit geweten dat zoiets bestond. Een enorm hoog gebouw waar in de vroeg-christelijke tijd begravingen plaatsvonden, zo dicht mogelijk bij het graf van de heilige Maximinus. Was een laag vol, dan werden de leemtes aangevuld met zand en begon men aan een volgende en een volgende laag. Vandaar die vreemde stapelingen die we zagen in de foto’s van de opgraving. Het waren geen stapelingen, maar toevallig boven elkaar terechtgekomen sarcofagen. Pas op later datum is er een vloer in het pand gekomen en is het als kerk in gebruik genomen. En vonden bijzettingen in een crypte plaats. Jammer dat ik jullie de verhelderende beelden niet kan laten zien van dit – voor mij nieuwe – concept. Online kan ik er ook niets over vinden. Het plaatje van de maquette van het gebouw in deze vroegste periode (4e, 5e en 6e eeuw) komt van een locale website. In de vaste opstelling worden we nog iets wijzer over de opeenvolgende stadia van de bouw van de Dom, waar ook aan de buitenkant nog veel van te zien is. Via de binnenplaats van de Dom wandelen we terug.

Als we weer buiten komen is het nog steeds prachtig weer. We nemen nog even een terrasje op de grote markt om afscheid te nemen van deze fijne stad. We maken alweer nieuwe plannen. En we kijken terug op een veelheid aan indrukken en op de manier waarop ons is duidelijk gemaakt dat het Romeinse verleden nog altijd in ons heden schuilt. Zo hing in het Stadtmuseum drie etages hoog deze enorme lijst van hedendaagse woorden die op het Latijn van de Romeinen zijn terug te voeren.

Marijke wijst ons op een van de woorden halverwege de lijst: zo komen we er achter dat zelfs onze loodgieter van de heenweg gebruik maakt van de Romeinse nalatenschap…

Reisje langs de Rijn (Rijn revisited)

Zondag zie ik op mijn telefoon dat er een nieuwe reactie is op mijn blog Reisje langs de Rijn. Lezer Gert van Eck is op dezelfde dag als ik (10 augustus 2022), maar zo’n vijf uur later, via dezelfde route naar het wrak gelopen. Terwijl ik (waarschijnlijk) druk was met het fotograferen van mijn ‘fruitmand’ had hij meer oog voor wat er zich in het water bevond. Zo constateerde hij dat er voordat je bij het ‘dynamietschip’ komt, nog een ander wrak te zien is. In zijn reactie gaf Gert aan dat hij een foto van de situatie had gemaakt. En aangezien ik me niet kon voorstellen dat ik een wrak over het hoofd had gezien, nam ik contact met hem op. Bovendien zou ook aardig zijn als iemand naar aanleiding van de foto zou weten om welk wrak het ging.

foto Gert van Eck. Een onbekend wrak?

In no time kreeg ik antwoord en ja: er bevindt zich wel degelijk nog een wrak in de Rijn, zichtbaar twee kribben oostelijk van het door mij beschreven wrak. Ik had het dus wel degelijk over het hoofd gezien. In vijf uur daalt het water niet zoveel dat het daarvoor niet zichtbaar zou zijn.

Natuurlijk kon ik het niet laten om op onderzoek uit te gaan. Voor mijn eerdere blog kwam ik via de krantenartikelen bij enkele Nederlandse bronnen uit. Maar nu duik ik er nog iets verder in en kom ik bij Duitse bronnen terecht. Hier vind ik meer en andere informatie. Het schip dat ik beschreven heb heette namelijk helemaal niet de Reimer. En ook niet Elisabeth zoals op verschillende plaatsen vermeld. Reimer was waarschijnlijk de naam van de reder. En de Elisabeth is het schip dat is geëxplodeerd. En wat krijg je als een schip explodeert? Dan blijft er weinig van over, en wat er overblijft zit niet aan elkaar…..duh! Achteraf logisch. Dus dat wrak is helemaal niet het ontplofte schip. Maar wat zien we dan in het water?

Terug naar het verhaal. In de winter van 1894 op 1895 moet er 150 ton dynamiet naar Nederland worden verscheept. Maar er wordt ijsgang verwacht op de Rijn, wat tot beschadiging van de schepen en zelfs tot ontploffing van het dynamiet kan leiden. Daarom moeten de schepen worden ontladen. Het dynamiet wordt gedurende de winter in een schuur (op een voor hoogwater beschermd stuk oever) opgeslagen. Pas op 19 maart 1895 wordt het dynamiet weer geladen. Hiervoor liggen maar liefst zes binnenvaart-zeilschepen klaar: De Duif, De Hoop, Elisabeth, Gezina, Maria Odelia en Vier Gebroeders.  Ze zijn allen aangemeerd tussen twee kribben. Twee schepen, de Gezina en de Vier Gebroeders zijn al zonder problemen geladen als de lading van de Elisabeth, zo’n 1400 kisten dynamiet, tijdens het bevrachten explodeert. Er exploderen ook nog enkele kruiwagens met dynamiet en er ontstaan op veel plekken ontploffingen door het rondgeslingerde dynamiet.

Alle andere schepen raken hierdoor beschadigd, maar de Gezina en Vier Gebroeders, hoewel volgeladen met dynamiet, exploderen niet. Ook de schuur met de rest van het dynamiet blijft overeind en explodeert niet. Maar nu die schepen. Als ik het goed begrijp zinken ze allemaal. En het schip dat als ‘het dynamietschip’ door het leven gaat, is hoogstwaarschijnlijk het uitgebrande schip ‘De Hoop’. Een schip dat dus nog niet geladen was, maar gezonken is door de impact. Ook schijnt er naast De Hoop bij nog lager water een ander schip bloot te komen. Zie Lokalkompass.

Restanten van De Hoop in de jaren ’60.  Foto: Heinz Becker uit Düffelward online gezet door Günter van Meegen.

Maar het wrak dat Gert heeft gezien, en waarvan wordt gezegd dat het alleen bij zeer extreem laag water zichtbaar is? (Daar kunnen we nu wel van spreken.) Het hoort waarschijnlijk niet bij deze zes, omdat het enkele kribben verder ligt. Er is wel degelijk onderzoek naar gedaan, maar tot nu toe is nooit vastgesteld welk schip het dan wel is. 

Kortom, de reactie van Gert heeft tot een complete herziening van mijn verhaal geleid. Mooi dat ik dat nog een beetje heb kunnen rechtzetten. Ik moet wel eerlijk zeggen dat waar ik ook lees, het verhaal een andere hoeveelheid dynamiet geeft, of een ander aantal schepen, of een andere ligplaats voor de verschillende schepen. Wat dat betreft moeten we kritisch blijven op de info, omdat er nauwelijks oorspronkelijke bronnen zijn. Dit kranteartikel uit 1895 komt er misschien nog het dichtst bij.

Foto: Heinz Becker uit Düffelward online gezet door Günter van Meegen, een transcriptie vind je hier.

En nu afwachten wat er boven water komt als de Rijn verder zakt. Dankjewel, Gert, voor je reactie en voor je foto!
De ankerlier en het achtersteven van ‘De Hoop’ zijn overigens te zien in het Rheinmuseum Emmerich. Dus voor de liefhebber….

-+=
Google Translate
Top