Colonia Narbo Martius

Ik ben terug in Frankrijk. De regent tikt zachtjes op het schaduwdoek. Net als gister. Jammer? Valt mee. Vooral een mooie gelegenheid om het nieuwe museum Narbo Via te gaan bekijken in Narbonne. Na een blik op de website beslist de man (M) me te vergezellen. Samen op naar Narbonne dus.

Eerst maar even iets over Narbonne in de oudheid. Want Narbonne is niet zomaar een stad met een Romeins verleden. Het is de eerste Romeinse kolonie in Gallië. Ontstaan omdat de Griekse kolonie Massilia (Marseille) in 125 v. C. hulp van de Romeinse bondgenoten vroeg tegen een aantal Gallische volkeren. Twee generaals, Gnaeus Domitius Ahenobarbus en Quintus Fabius Maximus, onderwierpen binnen een paar jaar de Gallische volkeren van Zuid-Gallië tot aan de Pyreneeën. De Via Domitia, die in deze tijd ontstaat, gaat dwars door dit gebied de verbinding vormen tussen Italië en Spanje. Om hun positie te consolideren stichten de Romeinen in 118 v. C. met ongeveer 2000 mensen de Colonia Narbo Martius, strategisch gelegen aan de Middellandse zee en de Via Domitia. Zo kunnen de handelsroutes gecontroleerd worden, de natuurlijke bronnen in het achterland beheerd en land gedistribueerd aan Romeinse burgers.

Wil je hier iets meer over weten, kijk dan eens naar de prachtige Arte-documentaire waarmee ik afsluit, aanbevolen door Paul. Deze reportage maakt duidelijk dat Narbonne veel grootser en belangrijker was dan je wellicht zou verwachten: ‘Narbonne, das zweite Rom’. In deze documentaire ook aandacht voor het nieuwe museum en voor twee andere Romeinse musea in de regio. Ten eerste het Horreum (ondergrondse opslagruimten) in Narbonne, waar ik decennia geleden al eens met de kinderen ben geweest (herhaling staat gepland). En het uitstekende museum Amphoralis in Sallèles, dat ik in de zomer van 2019 in de blog Veng heb besproken.

Okay, maar dan nu het museum. Het pand ziet er van buiten strak uit. Typisch moderne Franse vormgeving: staal en steen, met een garrigue-achtige tuin eromheen van planten die ook zonder water vooruit kunnen. Wat op de foto hout leek, blijken betonnen muren te zijn die in aardetinten (van oker tot terracotta) zijn gespoten. De opbouw met een suggestie van lagen geeft het beton een warme uitstraling.

Ook de entree valt meteen op met een ‘Romeinse’ deur en een atrium. Na het scannen van de pass sanitaire, een alleraardigste ontvangst door twee dames die ook onze regenjassen in ontvangst nemen en het scannen van de entreekaarten lopen we meteen tegen een muur op. En wat voor een muur!

Overweldigend is het woord dat in me opkomt. In een groter dan grote stelling, langer dan ons hele Nijmeegse depot, zo schat ik, staat een uitstalling van Romeins bewerkt bouwmateriaal die in z’n eenvoud fantastisch is. ‘More is more’ in dit geval. Het past in de huidige museumtrend om materiaal in het depot toegankelijk te maken, en dit is dan de overtreffende trap. Op de wandelpromenade staan twee informatiezuilen met ieder twee interactieve beeldschermen. Hier kun je een bouwelement uit de muur uitkiezen en aanklikken, waarna er in drie talen informatie verschijnt. Ook is het betreffende element in 3D in beeld gebracht: je kunt het van alle kanten bekijken.

Vervolgens kun je zien van wat voor soort bouwwerk het deel uitmaakte en waar het dan zat in dat gebouw. Dat maakt het zoveel interessanter voor de kijker. Nog niet alle elementen zijn ingevoerd, maar het is een prima voorbeeld van hoe digitale informatie een tentoonstelling rijker en duidelijker kan maken. Geen gesleep met tablets, geen ingewikkelde menu’s, veel extra informatie en iedereen kan meekijken. Je ziet bij elkaar wat er kan.

En dat is het dan nog niet, wat die muur betreft. Als je verder kijkt dan wat je ziet (daar is M goed in) dan vallen er meer dingen op: vanaf het wandelniveau kun je op verschillende plekken afdalen naar het onderste niveau, zodat je de bouwblokken van dichtbij kunt bekijken. De trappen zijn opgebouwd als in een Romeins theater, dus er is langs de hele muur ruimte om even te gaan zitten en het in je op te nemen (en ja, er is een rolstoellift).

Intussen roept M me naar een blok marmer. ‘Kijk eens naar die P. Hoe prachtig. Zie je hoe de ronding aan de onderkant net niet aansluit op de stok?’ En bij een ander stuk:  ‘En hier, zie hoe mooi het is uitgevuld…’ Dit heeft de ontwerper van de muur ongetwijfeld bedacht. Een mega wow-moment als je binnenkomt, maar met alle mogelijkheden voor mini wow-momenten voor wie verder wil kijken. En dan gaan we meteen weer terug naar mega. Want opeens horen we een zacht mechanisch geluid. Er beweegt iets in de muur. Oh, en kijk, achter de voorste stelling is nog een tweede stelling. En ertussen zit een volautomatische, op afstand bestuurbare hefconstructie die de elementen kan ophalen, terugzetten en verplaatsen.

Een gebeuren op zich dat de aandacht van de bezoeker trekt.  En steeds als je in het museum komt zal de opstelling anders zijn en kun je andere elementen van dichtbij bekijken. Het geheel speelt in op de beleving, ook al zo’n sleutelwoord in eigentijds expositieland. Maar deze beleving is tegelijk ook functioneel en dat maakt het bijzonder.

Aan het eind van de promenade slaan we de hoek om naar de permanente opstelling. Hier gaan we van ‘more is more’ naar ‘less is more’. Eenvoudige uitleg. Deels digitaal, deels via muurborden, deels via de bordjes bij de voorwerpen. En ja, eerste puntje van kritiek, die kleine bordjes zitten helaas weer op deurkrukhoogte. Maar verder is het overzichtelijk, ruim, groots maar eenvoudig. M kijkt naar alle constructies die nodig zijn om enorme bouwelementen op hun plaats te houden. Ik kijk naar digitale projecties die op een simpele manier heel veel uitleg bieden. Over het landschap en de plaats van Narbonne daarin. Over een groot Romeins huis dat in Narbonne is gevonden, de indeling ervan en wat er binnen te zien was, van mozaïekvloer tot wandschildering, van voorouderbeelden tot persoonlijke verzorging.  De tentoonstelling van artefacten en de digitale uitleg erbij zijn goed in balans.

Een beeldscherm toont een recente opgraving. Een dijk langs de Romeinse bedding van de rivier de Aude blijkt vol te zitten met Romeins bouwmateriaal. De dijk is in de 4e of 5e eeuw ooit doorgebroken en de bewoners hebben alles wat op dat moment voorhanden was gebruikt om het gat te dichten. De opgraving van de dijk is van boven af gefotografeerd en de beelden zijn zo over elkaar gelegd dat je laag voor laag ziet wat er tevoorschijn komt. De bonus komt halverwege: er blijkt een compleet houten schip van 12 meter lang te zijn gebruikt om het gat te dichten. En ook het schip is weer vol bouwelementen. Het is prachtig om de opeenvolgende fasen van de opgraving zo helder te kunnen zien.

Er zijn veel highlights, maar het is vooral een solide en met zorg samengesteld verhaal. Het klopt. Inhoudelijk is het een mooi afgerond verhaal. En voor de vormgeving geldt hetzelfde. Alles past en vult elkaar aan. En de ruimtes zelf voelen ook lekker, realiseren we ons opeens. Het is niet te koud en niet te warm en er is duidelijk iets gedaan aan de akoestiek: tussen al die harde materialen is er toch geen galm te horen.

Als we terugkomen op de wandelpromenade zien we dat er gewerkt wordt aan een nieuwe expositie. Dit is waarschijnlijk de tijdelijke expositieruimte, waarvan op de website wordt gesproken. Een fijne aanleiding om hier snel nog eens terug te komen. En mijn sneak peek laat zien hoeveel mensen er nodig zijn om één kapiteel voorzichtig op z’n plaats te krijgen.


Op de terugweg lopen we nog even de stad in. Langs het aartsbisschoppelijk paleis en de Romeinse weg die deels zichtbaar is gemaakt. Geen verrassingen hier, maar lekker om er eens rond te lopen als het niet zo warm is.

En grappig om te zien dat het Romeinse verleden hier bijna onverschillig onderdeel uitmaakt van de omgeving. Hoe meer er is, hoe minder bijzonder het blijkbaar voelt. Hadden we dat gevoel in Nijmegen maar…

Nog even de links:
De website van het museum Narbo Via.
De documentaire: .

Zen in Oeffelt

Toen ik ruim 20 jaar geleden lid werd van de AWN, kwam de afdeling op woensdagavond bijeen op een zolder in Nijmegen, boven wat nu Shabu Shabu is. Het was een flinke klim en met het bestijgen van de trappen werd de geur van het verleden intenser. Via een lange smalle gang tussen stapels stoffige bruine archiefdozen door bereikte je de ruimte met de tafel. De tafel die nog steeds ‘onze’ tafel is. Hoe blij was ik die eerste keer – uitgenodigd door Peter Vissers – dat er tussen al die mannen ook een vrouw aan tafel zat. Die vrouw was Anneke van Bergen. Deze week kregen we bericht dat Anneke is overleden.

Ingetogen is het woord dat in mij opkomt als ik aan haar denk. In haar manier van praten, haar belevering van archeologie, haar ontwerpen: alles wat nodig is, en niets teveel. Ze voelde als een mentor toen ik pas bij de club was. Bereid om haar kennis te delen. Geduldig. Ze gaf vertrouwen. We hadden dingen gemeen naast de archeologie: metaal, textiel…de belangstelling voor (toegepaste) kunst. Ze had een zachte stem, zocht nooit de voorgrond, maar ze had een o zo scherpe blik voor alles wat mooi was en ‘klopte’. Toen ik na een periode van perikelen en afwezigheid weer terugkwam op de woensdagavonden – nu in het depot – was Anneke er niet zo vaak. Haar gezondheidsproblemen werden groter en het reizen moeilijker. Ze belde me nog een keer voor een lastige zakelijke kwestie, ik was blij dat ik haar kon helpen, maar we zagen elkaar daarna een hele tijd niet meer.
Nog een paar keer kwam ze terug op woensdagavond. We waren al even bezig met het Valkhofproject. Maar het was duidelijk dat ze haar draai niet kon vinden in die grote groep met de vele nieuwe gezichten. Toen ze weg was, de laatste keer, vroeg iemand me: ‘Wie was die oude mevrouw die hier vanavond was?’ Ik moest even schakelen voor ik wist wie ze bedoelde. Ze was zo veel meer. Peter heeft het prachtig verwoord in zijn IM. RIP Anneke, je was een mooi mens en dat blijf je voor altijd.

Ik heb het blog even laten rusten na dit begin. Hoe ga je verder? Maar opeens wist ik het. Anneke was als vrouw een wegbereider in de vrijwilligersarcheologie. Het was in die tijd toch vooral een mannending. Ik realiseer me dat dat langzaam maar zeker begint te veranderen. Kijk maar eens rond op onze werkgroepavonden.  Onlangs hebben we in een bestuursvergadering afgesproken dat we al onze nieuwe leden zouden bellen om ze welkom te heten, eens te kijken waarom ze lid geworden zijn en wat ze van ons verwachten. Wat bleek bij het samenstellen van de bellijst? Van de (vele) nieuwe leden is ruim een derde vrouw. In het kader van de privacy kan ik niets vertellen over de gesprekken die ik heb gevoerd. Maar de nieuwe vrouwelijke leden variëren van heel jong, bezig met een studie Klassieke Cultuur tot gepensioneerd, en van professioneel archeoloog tot vrouwen die ‘eindelijk’ eens iets met archeologie willen doen. We hebben leuke en enthousiaste gesprekken gevoerd, en ik kan niet wachten tot we hen, en alle nieuwe mannen evenzeer, eens in het echt kunnen uitnodigen. Want dat gaan we zeker doen als het zover is…een speciale avond om kennis te maken.

Met een onwillige voet ben ik een maand aan huis gekluisterd geweest. Ik wilde eigenlijk schrijven over wat ik die tijd heb uitgevoerd, maar ja, als je dan weer mag lopen is die maand gauw vergeten en wil je eruit. Ter opvrolijking van mijn thuisblijven had ik het boek Mudlarking gekocht, geschreven door Lara Maiklem. Mudlarking betekent zoiets als rivierstrandjutten. En dat is wat Lara doet. Ik volg haar al een tijdje op Twitter en dat is de moeite waard. En zo ook haar boek. Lara mudlarkt langs de Thames. Omdat de Thames een getijderivier is, komt bij eb een deel van de bedding vrij te liggen en is het strandjutten daar, mede door de vele vondsten, een gewilde bezigheid. Mudlarking is niets nieuws: in de 18e en 19e eeuw werd er – met name door kinderen en bejaarden uit de allerarmste lagen van de bevolking – al gezocht naar (bij de overslag overboord gevallen) steenkool, hout, etenswaren en alles wat maar geld opbracht. Bijna alle transport ging via de Thames, dus er viel en valt heel wat te halen. Daar moet je overigens tegenwoordig wel een vergunning voor hebben. In het boek zakken we met Lara letterlijk de Thames af, het staat vol feitelijke info, afgewisseld met mooie anecdotes. Zoals het feit dat sommige mudlarkvondsten in de 19e eeuw zo gewild werden, dat de mudlarkers ze zelf gingen namaken. Daar ontstonden hele huisindustrieën omheen. En tegenwoordig zijn de nagemaakte vondsten weer gewilder en kostbaarder dan de originelen. Enfin, een aanrader, dat boek!

Maar goed, je snapt het al, toen wilde ik natuurlijk ook mudlarken. Ik zou de Maas weleens onveilig maken. Geen laag water natuurlijk, deze tijd van het jaar, maar dromen kan altijd. Aan de overkant van de Maas (in mijn geval is dat bij Gennep de brug over) kun je wat makkelijker bij de rivier komen, dus ik besloot de oversteek te wagen. Langs het Veerhuis van Oeffelt – waar de Coffee To Go zorgt voor ongemakkelijk rondhangende wandelaars en fietsers, die stuk voor stuk uitstralen dat een stoel niet veel meer besmettingsgevaar zou opleveren – rijd ik langs de Maas naar het Noorden. Al snel wordt de rust die ik zocht verstoord door machines. Wat is hier loos? Ik zet de auto in het stof en loop verder. Er wordt gegraven! Nou ga je als vrouw alleen – sorry, Anneke – niet zo snel zo’n terrein op om eens te vragen wat ze aan het doen zijn. Dus ik maak een omtrekkende beweging. Ik loop eerst eens langs de oever van de Maas. Niks te mudlarken natuurlijk. Na een tijdje kom ik bij een zandweg. Hierachter blijkt een ander terrein te liggen. Beschermde natuur. Water en vogels. Precies tegenover het Genneper Huis, waarvoor op een hoogst onduidelijke plaquette aandacht wordt gevraagd. Wat wel duidelijk wordt is dat hier eerder al veel grond afgegraven is: bomen staan op een soort eilandjes, daartussen grote stukken waar water staat. De vogels – en de vogelaars – voelen zich hier thuis.

Ik begin te vermoeden dat het gedeelte dat nu afgegraven wordt eenzelfde stuk ‘natuur’ zal opleveren. Langs de zandweg liggen wat bergen aarde, het ziet eruit alsof hier de toplaag naar toe is geschoven. Uit zo’n berg steekt een randje. Toch even kijken, natuurlijk. Goh, ik ken die randjes. Het lijkt wel Genneps. Witte ongeglazuurde engobe over roodbakkend aardewerk. Niet zo gek natuurlijk, Gennep is aan de overkant. Ik kijk verder. Een stukje flessenglas, een scherf Westerwald, een steel van een drinkglas. Een stukje sgraffito aardewerk. Ik vraag me af of hier ooit stadsafval is gedumpt? Intussen speur ik natuurlijk verder. Een flinter transferprint. Veel aardewerk met loodglazuur, een pijpensteel. Wow, ben ik opeens aan het mudlarken op het droge. Helemaal zen ga ik op in het peuteren in de bergen aarde.

Eenmaal thuis duik ik meteen het web op. Waarom wordt hier gegraven? Het blijkt te gaan om kleiwinning tot op 1.80 meter, waarbij de ontgronding moet leiden tot een natuurgebied, De Meerkampen. Een deel van de ontgronding is archeologisch begeleid, omdat men een aantal zaken wil vaststellen: Is hier nog iets terug te vinden van de belegering van het Genneper Huis in de Tachtigjarige oorlog? Zijn er resten te vinden van een 18e eeuwse herberg die hier gestaan moet hebben? En zijn er mogelijk archeologische niveaus op grotere diepte, die hier bedreigd zouden worden?

Ik zoem meteen in op het woord herberg. Op de kaartjes (zie het rapport) ontdek ik dat die precies moet zijn geweest waar ik heb gelopen. Het rapport zegt hierover: “Deze herberg staat wel op de kaart uit 1731 afgebeeld, maar is op de kadasterkaart uit 1832 niet meer aanwezig. De aanwezigheid van het bouwpuin zal het gevolg zijn van het slopen van deze herberg, waarover verder geen informatie beschikbaar is. De vondsten kunnen aan de bewoning gelieerd worden. De afvalkuilen zullen na sloop zijn aangelegd, waarbij mogelijk het resterende sloopafval verspreid is geraakt. Het is niet bekend wanneer dit heeft plaatsgevonden, maar het moet voor 1832 geweest zijn. Van de herberg zelf zijn geen concrete sporen of uitbraaksleuven aangetroffen. Vermoedelijk heeft deze meer in de richting van de Maas gelegen.”

Hendrik Sorgh, rokende en drinkende boeren in een herberg (17e eeuw).

Geen stadsafval dus, maar een herberg aan de Maas. Aanwezig in 1731, maar afgebroken voor 1832, dat is aardig in overeenstemming met de vondsten uit de bergen aarde die ik heb gedaan. Weer wat wijzer geworden. En onbewust heb ik een hele herberg bij elkaar gesprokkeld: bouwmateriaal, kookgerei, borden en schotels, flessen en glazen, pijpen, kannen en kommen, en zelfs wat beenderresten. Hineininterpretieren? Wellicht! Maar het mooiste? Een heerlijke ochtend, helemaal zen, in de meest coronaproof herberg van Nederland.

 

 

Pittig

Ver van het stadse gewoel en met een wazig voorjaarszonnetje door het raam is er – zonder dringende werkzaamheden of een elftal thuis te scholen kinderen – zelfs in lockdown met avondklok nog wel een gradatie van geestelijke rust te vinden. Gisteren een enorme wandeling gemaakt langs oude wallen en heggen, naar aanleiding van een aantal oude kaarten die ik door Paul Klinkenberg toegestuurd kreeg. Geweldig om te zien dat elementen in het landschap die in de 17e eeuw al op de kaart stonden, nu nog te localiseren zijn. 

Soms zie je dat elementen uit verschillende eeuwen door elkaar lopen. De oude grenswal werd in de Tweede Wereldoorlog gebruikt om extra beschutting te geven in de loopgraven die er direct achter werden gemaakt. Ik had er eigenlijk een blogje over willen schrijven, maar mijn foto’s geven een slecht beeld van de situatie, dus dat houden jullie tegoed. Eén foto wil ik jullie niet onthouden: het lijkt bijna of je in een Japanse tuin loopt, maar het zijn de restanten van een Duitse bunker in het Reichswald. Een mooi symbool misschien dat hoe erg de onrusten ook zijn, ze ooit weer tot rust weerkeren.

Een ander rustgevend werkje dit weekend: het glas dat we afgelopen weken vonden tijdens ons thuiswerkproject Waalkade heb ik eens nader bekeken. Het gaat om glas uit vondstnummer 152. Met daarbij een prachtig stukje van een (16e eeuwse?) berkemeier met doornnoppen. Ook een stel losse noppen heb ik teruggevonden. De bijgaande afbeelding komt uit “Glas zonder glans”. Frans dacht dat dit ook wel een koolstronkvoet wordt genoemd. Een blik in de moestuin van mijn achterbuurvrouw laat zien dat dit wel heel aannemelijk is. Aangezien het glas een bruine (van espresso tot koffie verkeerd) verkleuring heeft, en je het dus snel over het hoofd ziet, heb ik het afval van 152 nog eens extra doorgelicht. Toch nog een paar mini-stukjes gevonden. 

Daarnaast kwam ik nog heel wat kleine pitjes tegen. Dus ook de pittenpot maar eens omgegooid. Ik verbaas me over de enorme verscheidenheid. Sommige pitten zijn direct herkenbaar, bij andere laat mijn botanische kennis mij in de steek. Dus bij dezen….raden maar. Geen geluid op de band, zoals bij Kees Schilperoord. (Of ‘Kees Schil’ zoals Gerard Cox placht te zeggen: ‘….kun je nagaan hoe snel wij thuis de radio uitzetten als hij erop was.’) Maar pitten op een rij.

Klik aan voor uitvergroten

Ik heb de pitten (en of zaden) genummerd van 1 tot 18. Misschien zijn sommige varianten alleen maar een jonge en een volwassen versie van dezelfde vrucht, maar ik dat zag ik er dan niet aan af. Je kunt klikken op de foto om hem groter te bekijken. Inzendingen welkom als reactie op dit bericht! En een kilo verse kersen of pruimen of druiven uit onze tuin (afhankelijk van wanneer we elkaar weer mogen zien) voor de winnaar. Hoe we die winnaar gaan bepalen weet ik niet, maar anders eten we het fruit wel gezamenlijk op als we weer bij elkaar mogen komen. Veel plezier met deze pittige fruitmand in coronatijden, blijf gezond en ik blijf het toch maar zeggen: tot spoedig!

Thuis

‘There is no place like home’ dacht ik afgelopen vrijdag, toen ik me realiseerde dat het Black Friday was. Als ik de beelden mag geloven dacht niet iedereen daar hetzelfde over, maar dat terzijde. Ik had vrijdag een van die zeldzame geluksmomenten, als je ergens mee bezig bent en opeens dat gevoel krijgt van ja, kijk, dit is nou wat ik altijd gewild heb.

Ik zit aan mijn eigen tafel, zonder enige afleiding, met voor me een opengevouwen krant, een rol tape, een tube UHU en een stapel gewassen scherven. Ik knip de tape in stukjes, een voorraadje langs de rand van de tafel. Niet scheuren, hoor ik Arjen den Braven zeggen, dat is slordig. Ik sorteer de scherven. Ze komen uit een speciale krat. Ik noem het de premiumkrat. Die heeft Kees afgelopen woensdag afgeleverd in het kader van ons thuiswerkproject. Er zitten zakken in met scherven die tijdens de opgraving aan de Waalkade al een beetje zijn voorgesorteerd: ze bevatten scherven die bij elkaar horen. Iedere thuiswerklocatie heeft zo’n krat gekregen. Op deze Black Friday is dit mijn speciale aanbieding: een van die zakken wil ik eens nader bekijken. Ik heb de inhoud gisteravond nog een keer extra gewassen en alles is mooi droog.

De ‘premiumkrat’ 😉

Ik begin met een stel witbakkende scherven met groen en geel glazuur. Die waren me al eerder opgevallen. Het wordt, volgens ‘Amsterdam ceramics’ een ‘chafing dish’. Een warmhoudplaat? Hier moet ik nog eens verder induiken. Wat is dat dan precies? Een andere groep opvallende scherven is heel delicaat. Ook witbakkend. Geen glazuur van buiten maar een korrelig lichtgeel van binnen. Een zalfpotje. Een stel zwartgeblakerde scherven trekt mijn aandacht. Wat een rommeltje. Als ik later een bruine voorraadpot probeer samen te stellen blijkt de helft van de scherven bij de zwartgeblakerde pot te horen. Is het slechts een voorraadpot of heeft het toch iets met koken te maken? De boeken brengen geen uitkomst, we komen er vast nog wel eens achter. Aan het einde van de dag zijn de scherven ‘op’ en heb ik vier archeologisch complete objecten. Mooi. En nu? Ik wil ze eigenlijk wel aan jullie laten zien.

Een mail van Jan van Daalen brengt me op een idee. De afgelopen jaren zijn we met een klein groepje enkele keren naar het Noorden van het land afgereisd, o.a. naar Friesland waar Jan oorspronkelijk vandaan komt. Al twee keer zijn we dan ook in Groningen naar het atelier en de woning van Henk Helmantel geweest, de fijnschilder. Een prachtige omgeving (zie bijgaande foto’s die nog eens extra worden opgefleurd door Ben en Aad). Zijn stillevens zijn om stil van te worden.

Ik denk aan de laatste keer dat we er waren: dat was nog eens extra bijzonder. Terwijl we op het terras zaten raakten we met de schilder in gesprek en ging het over archeologie. Ben gaf aan dat hij conservator is in Wijchen en dat hij vooral de schilderijen met oud glas zeer mooi vond. Toen we later nog eens rondkeken – de groep was wat verspreid geraakt – riep Helmantel Ben (en enkele anderen uit groep) naar binnen om naar zijn Romeins glas en andere archeologische vondsten te komen kijken. Ik vertel dit uit tweede hand, helaas, helaas, ik was afgedwaald naar de kerk en heb dit alles gemist. Eén ding voor als de pandemie voorbij is: ga er eens kijken, het is een droom.

Om terug te keren naar mijn inspiratie: vanochtend besloot ik een foto te maken in de stijl van Helmantel. De grote meester haal ik natuurlijk nooit, maar het is een mooie aanleiding om er iets van proberen te maken. Maar ja, hoe laat je alles rechtop staan. Ik plunder de keuken. Een grote suikerbus in de voorraadpot, een kleine pot in de andere. De zalfpot en groene schaal blijven gelukkig uit zichzelf staan. Ik zoek een klein bankje. Dan nog een oud gordijn erachter en het begint erop te lijken. Op het niveau van meezingen onder de douche dan. En ik noem het: Hommage aan Kees!

Wat fijn als je zo heerlijk thuis kunt klungelen. Met mooie herinneringen aan momenten samen en mooie vooruitzichten op wat zich nog zal aandienen, in kratten of anderszins. Ik wens jullie allemaal ook veel gemoedsrust en goede momenten. En maar blijven volhouden….

Identiteit

In de afgelopen week hebben we als leden van de AWN via onze onvolprezen secretaris Leo ten Hag een uitnodiging gekregen voor het bijwonen van de digitale ledenvergadering. Een van de onderwerpen op de agenda is een nieuw logo, een nieuwe huisstijl, een nieuwe naam. Als afdelingsbestuur waren we al eerder op de hoogte gebracht van het voornemen tot deze nieuwe stijl. Door de Corona-crisis loopt alles wat langzamer dan normaal, maar nu komt het dus blijkbaar ongewijzigd voor alle leden in stemming.

Afgelopen week kwam het gesprek tijdens ons thuiswerkproject op het logo. Tot mijn verrassing en vreugde kwamen de twee aanwezige leden met exact dezelfde gevoelens en dezelfde opmerkingen over het logo die ikzelf ook heb. Opmerkingen die ik ook al tijdens een vergadering van het afdelingsbestuur had gemaakt over de ontwerpen.

Inmiddels hebben alle leden naast een uitnodiging voor de digitale vergadering ook een stembiljet ontvangen voor het logo, de huisstijl en de nieuwe naam. En daar wil ik toch even je aandacht voor vragen. Uiteraard is het aan iedereen om te vinden van een logo wat hij of zij wil. Maar waar het mij vooral om gaat is dat het ons vertegenwoordigt, en dat wij graag serieus genomen willen worden. En daar zit mijn probleem, en ik wil zo graag dat jullie daar ook over nadenken en op basis daarvan een antwoord geven aan het hoofdbestuur.

Dit is de mail die ik heb gestuurd aan de landelijk secretaris:

Geachte secretaris, landelijk bestuur,
Een goed logo sluit aan bij de identiteit van de organisatie waarvoor het wordt gemaakt. Ik neem aan dat u als bestuur goed heeft nagedacht over wat die identiteit is, wat de kernwaarden zijn, en dat u deze kernwaarden ook heeft gebriefd aan de vormgever. Het is aan de vormgever om deze te vertalen naar beeld. Hoe beter de briefing, hoe meer kans op een goed logo.

Aangezien u niet aangeeft wat de briefing aan de vormgever is geweest, is het moeilijk om te beoordelen in hoeverre hij of zij geslaagd is in de opzet. Wat ik zie, voldoet in mijn ogen niet aan datgene waar de AWN in deze tijd voor staat. Een eigentijdse, inhoudelijk gerichte organisatie voor volwassen jongeren en ouderen, die zich bezighoudt met alle facetten van archeologie: van opgraven tot educatie, van beschrijven tot publieksvoorlichting, van zelfstandig onderzoek tot publicaties.

Bij het ontstaan van de organisatie was wellicht een spade met een aardewerk kruik een relevant beeld. Maar ik geloof toch heus dat we inmiddels een grote stap verder hebben gemaakt. Waarom dan toch kiezen voor dit beeld? In z’n oude vorm gaf het nog een vertederende knipoog naar vroeger, maar dit kleurboekplaatje (een van onze leden omschreef het als iets uit Flipje van de Betuwe) is in mijn ogen noch modern, noch relevant, noch passend bij onze kernwaarden.

Het totaal van beeldmerk, woordbeeld en lettertype van de tekst is weinig samenhangend en op z’n minst druk te noemen. Ook hier mis ik de relevantie bij wie we zijn en waar we voor staan als organisatie. Zo langzamerhand weet eenieder wel wat archeologie is, hebben we daar eigenlijk nog wel een beeldmerk bij nodig? Volstaat een woordbeeld daar niet? In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister.

Ook het ontwerp van de folder is druk en schreeuwerig. De in archeologie geïnteresseerde gaat voor inhoud, niet voor een schreeuwerige vorm. Een schijnbaar jongere beeldtaal haalt niet meer jonge mensen binnen. Integendeel: het zal eerder mensen afschrikken die zich afvragen of dit hen wel de inhoud biedt waarnaar men zoekt.

De naamsverandering kan ik begrijpen. Werkgemeenschap is wellicht niet meer van deze tijd en kan verwarrend overkomen. Maar waarom dan niet gekozen voor een naam die dichter bij de afkorting komt:
Archeologie Vereniging Nederland. Dan zijn in ieder geval twee letters van de afkorting AWN snel verklaard. En in essentie is het vergelijkbaar met de door u voorgestelde namen.

Tot zover mijn reactie op uw voorstellen. U ziet dat ik niet praat over mooi of lelijk. Dat is niet relevant. U begrijpt dat ik een en ander te kort vind schieten in kwaliteit en communicatief vermogen voor onze organisatie.
Met vriendelijke groet,

Pauline de Weijer
Actief lid en penningmeester AWN afdeling 16, Nijmegen en omstreken.

Tot zover mijn brief. Beste afdelingsleden, ik hoop dat jullie ook wat aandacht willen geven aan dit onderwerp. Je mag er van vinden wat je wilt, daar gaat het mij niet om. Maar we gaan dit wel voor minstens 10 jaar zien! Dus denk er nog eens over en laat je gedachten aan het hoofdbestuur weten:
secretaris@awn-nederland.nl