Thuis

‘There is no place like home’ dacht ik afgelopen vrijdag, toen ik me realiseerde dat het Black Friday was. Als ik de beelden mag geloven dacht niet iedereen daar hetzelfde over, maar dat terzijde. Ik had vrijdag een van die zeldzame geluksmomenten, als je ergens mee bezig bent en opeens dat gevoel krijgt van ja, kijk, dit is nou wat ik altijd gewild heb.

Ik zit aan mijn eigen tafel, zonder enige afleiding, met voor me een opengevouwen krant, een rol tape, een tube UHU en een stapel gewassen scherven. Ik knip de tape in stukjes, een voorraadje langs de rand van de tafel. Niet scheuren, hoor ik Arjen den Braven zeggen, dat is slordig. Ik sorteer de scherven. Ze komen uit een speciale krat. Ik noem het de premiumkrat. Die heeft Kees afgelopen woensdag afgeleverd in het kader van ons thuiswerkproject. Er zitten zakken in met scherven die tijdens de opgraving aan de Waalkade al een beetje zijn voorgesorteerd: ze bevatten scherven die bij elkaar horen. Iedere thuiswerklocatie heeft zo’n krat gekregen. Op deze Black Friday is dit mijn speciale aanbieding: een van die zakken wil ik eens nader bekijken. Ik heb de inhoud gisteravond nog een keer extra gewassen en alles is mooi droog.

De ‘premiumkrat’ 😉

Ik begin met een stel witbakkende scherven met groen en geel glazuur. Die waren me al eerder opgevallen. Het wordt, volgens ‘Amsterdam ceramics’ een ‘chafing dish’. Een warmhoudplaat? Hier moet ik nog eens verder induiken. Wat is dat dan precies? Een andere groep opvallende scherven is heel delicaat. Ook witbakkend. Geen glazuur van buiten maar een korrelig lichtgeel van binnen. Een zalfpotje. Een stel zwartgeblakerde scherven trekt mijn aandacht. Wat een rommeltje. Als ik later een bruine voorraadpot probeer samen te stellen blijkt de helft van de scherven bij de zwartgeblakerde pot te horen. Is het slechts een voorraadpot of heeft het toch iets met koken te maken? De boeken brengen geen uitkomst, we komen er vast nog wel eens achter. Aan het einde van de dag zijn de scherven ‘op’ en heb ik vier archeologisch complete objecten. Mooi. En nu? Ik wil ze eigenlijk wel aan jullie laten zien.

Een mail van Jan van Daalen brengt me op een idee. De afgelopen jaren zijn we met een klein groepje enkele keren naar het Noorden van het land afgereisd, o.a. naar Friesland waar Jan oorspronkelijk vandaan komt. Al twee keer zijn we dan ook in Groningen naar het atelier en de woning van Henk Helmantel geweest, de fijnschilder. Een prachtige omgeving (zie bijgaande foto’s die nog eens extra worden opgefleurd door Ben en Aad). Zijn stillevens zijn om stil van te worden.

Ik denk aan de laatste keer dat we er waren: dat was nog eens extra bijzonder. Terwijl we op het terras zaten raakten we met de schilder in gesprek en ging het over archeologie. Ben gaf aan dat hij conservator is in Wijchen en dat hij vooral de schilderijen met oud glas zeer mooi vond. Toen we later nog eens rondkeken – de groep was wat verspreid geraakt – riep Helmantel Ben (en enkele anderen uit groep) naar binnen om naar zijn Romeins glas en andere archeologische vondsten te komen kijken. Ik vertel dit uit tweede hand, helaas, helaas, ik was afgedwaald naar de kerk en heb dit alles gemist. Eén ding voor als de pandemie voorbij is: ga er eens kijken, het is een droom.

Om terug te keren naar mijn inspiratie: vanochtend besloot ik een foto te maken in de stijl van Helmantel. De grote meester haal ik natuurlijk nooit, maar het is een mooie aanleiding om er iets van proberen te maken. Maar ja, hoe laat je alles rechtop staan. Ik plunder de keuken. Een grote suikerbus in de voorraadpot, een kleine pot in de andere. De zalfpot en groene schaal blijven gelukkig uit zichzelf staan. Ik zoek een klein bankje. Dan nog een oud gordijn erachter en het begint erop te lijken. Op het niveau van meezingen onder de douche dan. En ik noem het: Hommage aan Kees!

Wat fijn als je zo heerlijk thuis kunt klungelen. Met mooie herinneringen aan momenten samen en mooie vooruitzichten op wat zich nog zal aandienen, in kratten of anderszins. Ik wens jullie allemaal ook veel gemoedsrust en goede momenten. En maar blijven volhouden….

Identiteit

In de afgelopen week hebben we als leden van de AWN via onze onvolprezen secretaris Leo ten Hag een uitnodiging gekregen voor het bijwonen van de digitale ledenvergadering. Een van de onderwerpen op de agenda is een nieuw logo, een nieuwe huisstijl, een nieuwe naam. Als afdelingsbestuur waren we al eerder op de hoogte gebracht van het voornemen tot deze nieuwe stijl. Door de Corona-crisis loopt alles wat langzamer dan normaal, maar nu komt het dus blijkbaar ongewijzigd voor alle leden in stemming.

Afgelopen week kwam het gesprek tijdens ons thuiswerkproject op het logo. Tot mijn verrassing en vreugde kwamen de twee aanwezige leden met exact dezelfde gevoelens en dezelfde opmerkingen over het logo die ikzelf ook heb. Opmerkingen die ik ook al tijdens een vergadering van het afdelingsbestuur had gemaakt over de ontwerpen.

Inmiddels hebben alle leden naast een uitnodiging voor de digitale vergadering ook een stembiljet ontvangen voor het logo, de huisstijl en de nieuwe naam. En daar wil ik toch even je aandacht voor vragen. Uiteraard is het aan iedereen om te vinden van een logo wat hij of zij wil. Maar waar het mij vooral om gaat is dat het ons vertegenwoordigt, en dat wij graag serieus genomen willen worden. En daar zit mijn probleem, en ik wil zo graag dat jullie daar ook over nadenken en op basis daarvan een antwoord geven aan het hoofdbestuur.

Dit is de mail die ik heb gestuurd aan de landelijk secretaris:

Geachte secretaris, landelijk bestuur,
Een goed logo sluit aan bij de identiteit van de organisatie waarvoor het wordt gemaakt. Ik neem aan dat u als bestuur goed heeft nagedacht over wat die identiteit is, wat de kernwaarden zijn, en dat u deze kernwaarden ook heeft gebriefd aan de vormgever. Het is aan de vormgever om deze te vertalen naar beeld. Hoe beter de briefing, hoe meer kans op een goed logo.

Aangezien u niet aangeeft wat de briefing aan de vormgever is geweest, is het moeilijk om te beoordelen in hoeverre hij of zij geslaagd is in de opzet. Wat ik zie, voldoet in mijn ogen niet aan datgene waar de AWN in deze tijd voor staat. Een eigentijdse, inhoudelijk gerichte organisatie voor volwassen jongeren en ouderen, die zich bezighoudt met alle facetten van archeologie: van opgraven tot educatie, van beschrijven tot publieksvoorlichting, van zelfstandig onderzoek tot publicaties.

Bij het ontstaan van de organisatie was wellicht een spade met een aardewerk kruik een relevant beeld. Maar ik geloof toch heus dat we inmiddels een grote stap verder hebben gemaakt. Waarom dan toch kiezen voor dit beeld? In z’n oude vorm gaf het nog een vertederende knipoog naar vroeger, maar dit kleurboekplaatje (een van onze leden omschreef het als iets uit Flipje van de Betuwe) is in mijn ogen noch modern, noch relevant, noch passend bij onze kernwaarden.

Het totaal van beeldmerk, woordbeeld en lettertype van de tekst is weinig samenhangend en op z’n minst druk te noemen. Ook hier mis ik de relevantie bij wie we zijn en waar we voor staan als organisatie. Zo langzamerhand weet eenieder wel wat archeologie is, hebben we daar eigenlijk nog wel een beeldmerk bij nodig? Volstaat een woordbeeld daar niet? In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister.

Ook het ontwerp van de folder is druk en schreeuwerig. De in archeologie geïnteresseerde gaat voor inhoud, niet voor een schreeuwerige vorm. Een schijnbaar jongere beeldtaal haalt niet meer jonge mensen binnen. Integendeel: het zal eerder mensen afschrikken die zich afvragen of dit hen wel de inhoud biedt waarnaar men zoekt.

De naamsverandering kan ik begrijpen. Werkgemeenschap is wellicht niet meer van deze tijd en kan verwarrend overkomen. Maar waarom dan niet gekozen voor een naam die dichter bij de afkorting komt:
Archeologie Vereniging Nederland. Dan zijn in ieder geval twee letters van de afkorting AWN snel verklaard. En in essentie is het vergelijkbaar met de door u voorgestelde namen.

Tot zover mijn reactie op uw voorstellen. U ziet dat ik niet praat over mooi of lelijk. Dat is niet relevant. U begrijpt dat ik een en ander te kort vind schieten in kwaliteit en communicatief vermogen voor onze organisatie.
Met vriendelijke groet,

Pauline de Weijer
Actief lid en penningmeester AWN afdeling 16, Nijmegen en omstreken.

Tot zover mijn brief. Beste afdelingsleden, ik hoop dat jullie ook wat aandacht willen geven aan dit onderwerp. Je mag er van vinden wat je wilt, daar gaat het mij niet om. Maar we gaan dit wel voor minstens 10 jaar zien! Dus denk er nog eens over en laat je gedachten aan het hoofdbestuur weten:
secretaris@awn-nederland.nl

Sans contact

Vreemd dat ik nu pas, nu ik een aantal van jullie alweer heb gesproken, jullie ook weer met een blog onder ogen – of beter gezegd onder woorden – durf te komen. Niet dat ik er de afgelopen tijd niet mee bezig ben geweest: blog-intro’s kwamen, maar gingen ook weer. En een vervolg kwam er nooit. Na Leo’s mooie blog van een paar weken geleden begon het toch ook weer te kriebelen. We zullen eens kijken hoever ik kom.

Met het bestuur hebben we, ook in Coronatijd, verschillende keren vergaderd: eenmaal schriftelijk, eenmaal deels thuis, deels via skype en zowaar de laatste keer samen, op afstand. We hebben plannen gemaakt, problemen geprobeerd op te lossen, veel afspraken gemaakt en weer verzet, zalen geprobeerd te huren en weer afgezegd. En net toen we dachten: die ALV gaat er echt komen, incl. schervenavond, kwamen de nieuwe maatregelen. En toen werd het opeens weer lastig. Kortom: weer uitstel. Het is niet anders.

Bijzonder landschap in de brons- en ijzertijd

In augustus konden we in Bergharen aan de slag, onder leiding van Johan van Kampen. Op zoek naar meer inzicht in de inrichting van dit bijzondere landschap in de brons- en ijzertijd. Het leek me een vredig plekje toen en dat was het voor ons, vrijwilligers, ook nu. Ondanks de hitte, het zand en het vroege opstaan. Even weg van het Corona-heden, ieder in ons eigen zanderige bubbeltje.

In ons eigen zanderige bubbeltje

Wat mij natuurlijk bijzonder aansprak was het mooie aardewerk dat we vonden: de decoraties op o.a. het Kalenderberg-aardewerk waren zó de moeite waard. Op de website heeft Aad van alle dagelijkse bijdragen een mooi logboek gemaakt. Door de grote belangstelling kon ieder maar één of twee keer per week meedoen, maar op de site was de voortgang van dag tot dag te volgen.

Voor de woensdagavondgroep in Nijmegen ontstond een probleem, omdat het depot waar onze werkruimte is gesitueerd op last van de gemeente gesloten bleef. Steeds werd de periode verlengd. En was bijeenkomen niet mogelijk. Het zat mij niet lekker. We moeten toch iets kunnen regelen, zei ik tijdens een bestuursvergadering. En zoals dat altijd gaat wanneer je met een idee komt: dan mag je zelf actie ondernemen. Ik wilde met Kees Brok een afspraak maken, maar besloot eerst eens te overleggen met de depotgroep. Ik had gehoord dat zij AWN-materiaal uit het depot thuis (in de tuin, op afstand) aan het uitwerken waren. En ik wilde wel eens weten hoe dat ging. Dat bezoek bleek een gouden zet.

Juist die week had Ben gezien dat in het depot een grote hoeveelheid materiaal uit een kelder werd omgepakt. Materiaal met één vondstnummer dat nog gesplitst moest worden, maar waarvoor geen mankracht was. Ben stelde voor om Kees te vragen of het splitsen door AWN-ers thuis gedaan kon worden. Kees bleek al tijden een oplossing voor het Pierson-project te zoeken, maar door het beleid was dat onmogelijk. Het leek hem realiseerbaar om met dit keldermateriaal thuis aan de slag te gaan, juist omdat het project administratief niet zo ingewikkeld is, en aansluit op onze ervaringen met het materiaal van de Piersonstraat. Zo kwamen alle draadjes bij elkaar: Kees startte met de organisatie aan zijn kant, Ben vervulde een rol als meedenker en intermediair en binnen een week kon ik al beginnen om AWN-ers van de Piersongroep voor dit nieuwe onderzoek te vragen.

Met de ervaring van Bergharen stelde Aad voor om dan meteen een Whatsapp-groep te beginnen, zodat de communicatielijnen in het vervolg wat korter zouden zijn. In no time werd alles opgezet: wie doet er mee, wie wil in de app-groep, wie kan een groepje herbergen thuis en wie zorgt er voor vervoer. Woensdag 23 september hebben we met enkele mensen het eerste materiaal opgehaald en heeft Kees een toelichting gegeven.

Een toelichting van Kees Brok

De toelichting ging als filmpje de Whatsapp-groep in en zo kreeg iedereen de info uit eerste hand. Inmiddels zijn er (naast de depotgroep) vier thuiswerkgroepen en is Thuiswerkproject Waalkade een feit. En zelfs wie niet meedoet kan de voortgang volgen, via de app en spoedig ook via onze website. Zeker nu het depot de komende tijd nog gesloten blijft is dit een mooie manier om in petit comité toch aan de slag te kunnen.

In petit comité aan de slag: thuiswerkgroep Groesbeek

Zo meteen komt de thuiswerkgroep Groesbeek weer bij elkaar. Dus tijd om dit blog naar een einde te brengen. Ik lees nog eens de vorige aanzetten terug, waaronder mijn reactie op het blog van Leo. Leo, wat een mooi blog heb je geschreven over beleving en historische sensatie. Nog niet zo lang geleden hadden we daar in het bestuur flinke discussies over. Harry maakte een opmerking over beleving. Dat we die nodig hadden bij onze jubileumviering en in de tentoonstelling. Jij gaf toen flink repliek. Is beleving niet vorm zonder inhoud? Heeft beleving wel waarde als die niet intrinsiek is? Ik dacht, en denk, dat beleving wel degelijk kan samengaan met inhoud. En dat beleving bij mensen die niet vanzelfsprekend met een bepaald gedachtengoed in aanraking komen een brug kan slaan naar kennisverdieping. Jij bent de natuurlijke romanticus die door objecten of teksten uit het verleden intrinsiek geraakt wordt. Bij andere mensen moet je die emotie misschien een handje helpen om ze toch deelgenoot te kunnen maken van een waardevol verhaal. Wellicht dat je blog me juist door de herkenning zo aansprak. Ik hoef maar een scherf te zien en kan me verbeelden hoe iemand daar met veel zorg en aandacht een decoratie in aanbracht. En dan weer net anders dan de buurvrouw. Zoals alle verschillende decoraties op het Kalenderberg-aardewerk in Bergharen. Iedere scherf een plaatje.

Iedere scherf een plaatje Kalenderberg-aardewerk in Bergharen

Dat het verleden mensen aanspreekt en emoties oproept bleek ook daar. De twee publieksmiddagen hadden over belangstelling zeker niet te klagen.

In juni was ik een poosje in Frankrijk. Toen al schreef ik de kopregel die nu boven dit blog staat. Net als hier werd daar contactloos betalen gepromoot. Maar in een land waar het uitschrijven van een cheque recent nog de norm was gaat dat niet helemaal vlekkeloos. Zo wilde ik bij de Emmaus kringloopwinkel een bordje betalen. Er zit daar altijd een mevrouw achter de kassa die geen t-shirt met BLM nodig heeft om uit te stralen dat Black Lives Matter. Sans contact? vroeg ze, toen ik mijn pasje pakte. Toen ik ja knikte gebaarde ze me dat ik het aan mocht reiken, waarop zij het tegen het apparaat hield. Gedwee volgde ik haar aanwijzing maar op. Geen discussie mogelijk, voelde ik. Zoveel maakte het niet uit: alle handen werden bij aankomst rijkelijk besproeid met desinfectie, gebrouwen uit gedoneerde restjes sterke drank, zo leek het. Thuis rook ik nog alsof ik een roes had uitgeslapen op de grond van het plaatselijke Café des Arts.

Ik heb de kopregel van dat oude blog laten staan, ik vond het wel mooi: sans contact maar toch niet helemaal contactloos. Laten we elkaar op de hoogte houden via de thuisgroepen, de site, Facebook en Whatsapp.
Gegroet en blijf gezond!

De Waal

Vorige week informeerde Aad voorzichtig of er weer eens een blogje in zat. Nou moet ik eerlijk zeggen dat ik de afgelopen weken best druk ben geweest. Zelfs met de AWN. Niet met vergaderingen en werkavonden weliswaar, maar wel met overleg. Er was geen Afdelingsledenvergadering, maar de jaarrekening moest wel opgemaakt, en kloppen! Dan was er het Jaarverslag: Leo had alle geweldige bijdragen van onze leden geredigeerd, gerangschikt en aangeleverd. Ik had het weer uitgeleverd aan de Grafische afdeling van het ROC… en toen gingen de scholen dicht. Met enig kunst- en vliegwerk is het verslag dan toch tot stand gekomen. Lang leve onze digitale wereld: online overleg, online proeven, online correcties, online adressenbestand, online enveloppen bestellen, en zelfs de postzegels komen uit de postnl-webshop. Uiteraard ging het daarna niet meer ‘vanzelf’ en was het nog een dagje vouwen, insteken en plakken, maar aan de tuintafel in de zon kan je dan niet van afzien spreken. Om vier uur lag alles in de brievenbus. Dit is de situatie om kwart voor vier 😉

Om vier uur lag alles in de brievenbus
Maar dat ik nog geen blog schreef komt ook door andere zaken. Ik doe heel andere dingen dan normaal. Herken je dat? Vooral dingen waar je nooit aan toe kwam. Die meer tijd kosten dan even een half uurtje tussendoor. Of waar je meer tijd voor uittrekt. Ik heb mijn emailleeroven uit de schuur gehaald – na 29 jaar! Daarna een week aan het zoeken geweest naar de andere spullen die erbij horen. Alles gevonden op het meest essentiële onderdeel na, het poeder,  waarvan ik wist dat het er moest zijn. Gelukkig werden die week onze zonnepanelen aangelegd en moest de meterkast uitgeruimd. Op de bodem achteraan vond ik op de meest onwaarschijnlijke plek mijn emailleerpoeder. Het emailleren met zo’n oventje kost trouwens een belachelijke hoeveelheid stroom. In al die jaren dat ik er vroeger mee gewerkt heb, heb ik daar nooit een moment bij stilgestaan en toen ik nog thuis woonde heb ik mijn zuinige ouders er ook nooit over gehoord. Raar toch, hoe je perceptie van dingen verandert. Ik voelde – zoals dat tegenwoordig heet – emailleerschaamte. Maar ook daar bieden de zonnepanelen opeens uitkomst: met het weer van de afgelopen tijd is het opeens toch weer duurzaam – gelukkig!

Ik merk dat ik me graag laat afleiden door “guilty pleasures”. Heb jij dat ook? Ik ben gek op cijfers en heb zo ongeveer iedere corona-statistiek bekeken die er te zien valt. Kansloze pogingen om de fenomenen van een ongrijpbare wereld toch in een vakje te stoppen. Iedere woensdagochtend hang ik aan de lippen van Jaap als hij weer spreekt over clusters en waarschijnlijkheid en andere statistische gegevens die dan allemaal weer met elkaar gematcht worden. 

guilty pleasures..

Ook kijk ik heel guilty naar iets heel anders, ik vind het net opgraven in het klein: Dr. Pimple Popper. Een dermatologe die onder plaatselijke verdoving bulten opensnijdt om te zien wat zich daaronder bevindt: een cyste of een lipoom of nog iets anders – je weet het niet van te voren – en die ze vervolgens opgraaft. Alsof je in de Bemmelse klei voorzichtig een Romeins bekertje blootlegt. Je weet niet wat er gaat komen maar de verwachtingen zijn  hoog gespannen ;-).

Maar nu even serieus. We hebben als afdeling een ‘alleen lezen’-abonnement op het Deventer Systeem aangeschaft. Een van ons kan nu inloggen op dit systeem en zo zijn we niet meer afhankelijk van de goede wil van anderen. Zeker op de woensdagavonden zal dit een mooie aanvulling zijn op de papieren informatie die we hebben – en helemaal up-to-date. En dankzij de al eerder genoemde zonnepanelen – waar je een gratis tablet bij kreeg – kunnen we nu wellicht ook ter plekke bij de werktafels de digitale info bij de hand hebben. We gaan het uitproberen – zodra het kan.

Tot het zover is wil ik jullie nog een boek aanraden. Of misschien beter gezegd: een schrijver. Op de woensdagavonden gaat er heel wat keramiek door onze handen. En soms gaat het erover: is het nu porselein of aardewerk? En wat is het verschil…en hoe komen we er eigenlijk aan, aan dat porselein.  Voor een werkgroep die zich tot nu toe vooral met een veel verder verleden heeft beziggehouden, is een Romeinse scherf meer vertrouwd dan het porselein uit de Piersonstraat. Wie heeft het uitgevonden? En waarom is het eigenlijk uitgevonden? En waar?
Wil je het weten? Dan kan ik je het boek ‘De Witte Weg’ aanraden. Geschreven door een beroemde Engelse keramist. Hij maakt installaties met porseleinen objecten, heeft werk in onder ander het Victoria en Albert Museum in Londen, en ook een ‘way with words’. Het is een van mijn lievelingsschrijvers en in dit boek beschrijft hij zijn zoektocht naar de geschiedenis van het porselein. Zijn naam heb ik niet voor niets boven dit blog gezet. In de hoop dat je hem niet zou vergeten. Een man met een Nederlandse grootvader en met een Nederlandse naam: Edmund de Waal. Lees hem! En tot we elkaar weer zien: hou je taai!

Edmund de Waal

P.S. ‘The hare with amber eyes’, een van zijn andere boeken, een zoektocht naar zijn familiegeschiedenis, kan ik je ook aanbevelen.

Tweeling

Alweer het laatste blog van dit jaar. Een jaar dat voor onze werkgroep niet bol stond van archeologisch opgravingswerk. Slechts twee keer heb ik dit jaar in het veld gestaan. Bij Park Lingezegen hebben we een oude put leeg geschept: een put die eerder 19e eeuws dan 17e eeuws bleek. In Grave hebben we op uitnodiging van Jan Kusters een prachtige dag doorgebracht op het ‘geheime veld’. De avond ervoor stonden er nog aardappels, de dag erna zou er gras gezaaid worden. Generaal Jan stuurde alle troepen het veld in om zoveel mogelijk materiaal zeker te stellen. Want de komende jaren valt daar natuurlijk weinig te zoeken.

Landesaufnahme Velp bij Grave

 

 

 

 

 

Foto Ton van der Zanden. 
Vlnr Marijke, Aad, Pauline en Frans in Grave

Verder stond dit jaar voor mij vooral in het teken van het boek “Groesbeek Heights” dat we hebben vormgegeven op basis van teksten van Leo ten Hag en Willem Kuppens met uitbundig beeldmateriaal verzameld door Paul Klinkenberg. Een veelomvattend verslag van heel veel veldwerk: toen en nu! Van de oorlog in de praktijk. Een aanvulling ook op de verhalen van onze oudere buren en buurtbewoners. En als je zoals ik precies op de grens woont, dan hoor je van beide zijden wat de oorlog ‘onder de streep’ voor de gewone mens tot  gevolg heeft gehad.

Een heel andere kant krijg je te zien als je de tentoonstelling ‘Design van het Derde Rijk’ bezoekt in Den Bosch. Om te beginnen: een aanrader! Ik was er afgelopen dinsdag. Absoluut met heel veel respect en duiding gemaakt. En met heel veel voorzorgen om misbruik van het materiaal te voorkomen: je mag niet fotograferen en er is geen folder of boekje met uitleg. De film vooraf – die erg snel gaat, maar waarvan je de meeste onderdelen later nog terug ziet – en de gratis audifoon bieden in woord en geluid geweldige informatie.

Maar zoals ik zei: het is de andere kant van het verhaal. De opzet, de theorie, het concept, zoals dat van bovenaf is uitgedacht. De opzet van de tentoonstelling is veel ruimer dan je wellicht zou verwachten van het woord Design. In beeld en geluid maakt de expositie duidelijk hoe Hitler van het begin af bezig is geweest om op een zo simpel en eenduidig mogelijke manier zijn ideeën vorm te geven en te communiceren. Hoe hij in de vruchtbare bodem van het Duitsland na de Eerste Wereldoorlog voet aan de grond kreeg en dat in relatief korte tijd. Je ziet hoe over alles werd nagedacht, alles werd doordacht, werd ingedeeld, ingericht, overwogen en gepland binnen een groot concept. En ook hoe dit alles moest overkomen op het werkloze en arme volk dat de Eerste Wereldoorlog had verloren en weer trots moest worden op het eigen land en vertrouwen krijgen in hun leider.

In 2017 heb ik meegewerkt aan de vertaling (van Duits naar Engels) van de autobiografie van Heinz Siery, een keramisch ontwerper uit Baumbach. Door zijn woorden kon ik me al een voorstelling maken van wat de komst van het nationaalsocialisme voor gewone mensen betekende en hoe het zich in het dagelijkse leven binnen wurmde. In de expositie werd die voorstelling als het ware werkelijkheid.

Siery: “Meine Schulzeit begann 1933 pünktlich mit Adolf Hitler, der uns, wie weiland der liebe Gott, als ständiger Begleiter völlig vereinnahmte….Für uns Kinder war das eine faszinierende Zeit, denn auf einmal war alles ganz anders, vor allem aber bunter mit den vielen roten Fahnen, einem weißen runden Fleck und einem Kreuz mit Haken darin, die an besonderen Tagen aus dem Fenster gehängt werden mussten und zwar an jedem Haus. Und dann die braun uniformierten Männer, die wir ja vorher nur in den üblichen, für uns ganz normalen blauen Arbeitsanzügen kannten. Aber die Verwunderung wurde noch verstärkt, als einer unsere Lehrer nun auch noch in dieser Uniform zum Unterricht erschien und mit “HEIL HITLER“ grüßte statt mit GUTEN MORGEN.

Dat Hitler niet alleen in eigen land, maar ook over de grens zijn ideeën wist te verspreiden weet ik uit eigen familie. Mijn opa van moederskant, die uit Den Haag kwam, was een van een tweeling. Van jongs af aan kregen we mee dat hij ooit een tweelingbroer had gehad, die ‘fout’ was geweest in de oorlog en ergens in Duitse dienst was gesneuveld. Meer wisten we niet. En opa was invalide. Iedere dinsdagmiddag na school paste ik op hem als oma haar vrije middag had. Gelegenheid genoeg dus om iets te vragen, maar praten over vroeger kon hij toen al niet meer.

De tweeling in 1902

 

 

 

 

 

De tweeling in 1902:
Wim en Piet (rechts)

Met de komst van de vele online genealogische bronnen ben ik er achter gekomen dat opa’s tweelingbroer gestorven is op 1 oktober 1944 in Portogruaro in Italië. En onlangs kreeg ik een klein inkijkje in het verleden van de twee broers toen ik bij mijn tante Joop een oud fotoalbum uit Den Haag in handen kreeg. Eerst vond ik een intens romantische foto van de tweeling rond 1902 en daarna foto’s van de broers afzonderlijk. Ik kreeg het boek mee om de foto’s in te scannen, en toen vond ik achterin, samen in een envelop, twee brieven. Een brief van mijn opa Piet vanuit een lager voor Arbeitseinsatz-arbeiders in Eisenach…en een brief van zijn tweelingbroer Wim met de Duitse Feldpost, ergens vanuit Frankrijk. Twee brieven, twee werelden. En beide enveloppen geopend door de censuur.

Een brief van mijn opa PietOpa Piet

Opa, naïef, “malle Pietje” voor intimi, vertelt over zijn lange reis, hoe ze zijn aangekomen in Eisenach, hoeveel mensen uit verschillende landen er zijn: Bulgaren, Serven, Sloaken, Hongaren, Italianen, Polen en Russen. Het is de vooravond van zijn eerste werkdag en hij maakt zich er vooralsnog vooral druk over of hij wel een ‘waschvrouw’ zal kunnen vinden voor zijn goeie goed. Het is duidelijk dat hij geen flauw idee heeft van wat hem te wachten staat.

Een brief van WimWim, gemankeerd kunstschilder

Zijn broer Wim, gemankeerd kunstschilder, getrouwd met de Poolse Charlotte, staat heel anders in het leven. Hij schrijft in oktober 1943: ‘Je moet weten dat ik sedert enige maanden dienst heb genomen bij een marine-wachkommando. Ik voel het als mijn plicht ook mijn steentje bij te dragen om het Bolsjewisme uit Europa en dus ook uit ons land te houden.” En: “Met Februari kom ik met verlof en hoop ik je op te zoeken, tenminste als je die booze broer nog wilt kennen.” Bijzonder om zo lang na dato een glimp van hun verschillende levens te zien. Zeker is dat ze elkaar als gevolg van hun keuzes nooit meer gezien hebben.

Tot zover. Meer graven in mijn familieverleden, realiseer ik me, dan in onze bodem. Laten we hopen dat we volgend jaar weer meer fysiek aan de slag kunnen. Ik wens jullie in ieder geval goede dagen, met wat bezinning en niet al te veel eten, en alvast een Guten Rutsch in het nieuwe jaar.

En vergeet die expositie niet.

The magic word

Ik ben deze blog nog niet begonnen en heb al drie kopregels bedacht. Zoveel dingen waar ik wel wat over kwijt wil. Eerst was het ‘Marketing Garden’. Maar die had de Gelderlander al. De ongekende hoeveelheid Market Garden-gerelateerde activiteiten van de laatste tijd geeft te denken. De bedoeling is natuurlijk herdenken, maar weten we 75 jaar later eigenlijk wel of realiseren we ons de impact van wat er zich toen heeft afgespeeld? In een radioverslag over de landingen op de Ginkelse Heide hoor ik de verslaggever alleen maar praten over ‘spectaculair’ en de rit van de historische voertuigen naar het noorden is ‘fantastisch’.

Nou hoor ik je denken, maar wacht eens even, we hebben toch zelf ook meegedaan aan die hype en een boek uitgebracht? En dan is mijn antwoord: heb je het al gelezen? Voor de niet ingewijden: de publicatie ‘Groesbeek Heights’ is een uitgave van onze eigen AWN-afdeling, en wel van de Werkgroep Archeologie van de Tweede Wereldoorlog. Als er één boek in mijn optiek integer is en wars van opportunisme, dan is het dit wel. Jarenlang veldwerk gekoppeld aan minstens zo lang archiefonderzoek heeft een bijzondere kruisbestuiving opgeleverd. De verslagen van dag tot dag uit het veld, de war journals, kaarten en foto’s gekoppeld aan wat er nu nog in het landschap te vinden is: het brengt je heel dicht bij die paar dagen in september 1944 dat Gavin en zijn mannen in onze regio landden. Soms zelfs tot bij de schutters in hun putje, waar we zien wat zij zagen als ze over de rand keken…

Tijdens de herdenkingsweek hebben Marcel en ik de jaarlijkse lunch met onze vroegere buurvrouw Nelly (nu 87) en haar dochter Mariëtte. Nelly woonde tijdens de invasie op de Hogewaldseweg in Breedeweg, tegenover het Reichswald. Haar heldere geest en gevoel voor humor brengen je nog dichter bij de dingen van toen. Ze heeft er al vaak interviews over gegeven maar er komen altijd weer nieuwe details boven die we niet eerder gehoord hebben. Over de koeien die al bij de eerste bombardementen geraakt worden en dood in het land liggen. En dat bij terugkomst na de evacuatie alles weg is, behalve die koeien, die er – in vergaande staat van ontbinding – nog liggen. Dat wegslepen niet kan, want er zijn geen landbouwmachines en ze vallen uit elkaar. Maar dat ze wel weg moeten. Het land moet bewerkt, het is al zo laat in het seizoen…Overgieten met brandstof en aansteken dan maar. Spaarzaam met de brandstof, want ja,  alles is schaars. En dat je die verschrikkelijke lucht dan later nóg ruikt als er geploegd wordt op die plekken.

En ook dat ze vorig jaar nog, door de droogte, in het veld de sporen zag van de loopgraven die de Duitsers vanaf de rand van het Reichswald naar hun huis hadden gemaakt. Dat haar vader nog wel een jaar bezig was geweest om de loopgraven dicht te gooien (met slechte grond, vandaar de crop marks), slechts gewapend met een schop en kruiwagen. Dat er een tank door de grensafscheiding van gaas en prikkeldraad gereden was, en dat alle scherpe stukjes gaas en prikkeldraad uit het veld moesten worden gezocht om te voorkomen dat het later mens of dier zou verwonden. En dàt op een plek vol explosieven die in de zachte grond niet waren afgegaan: die dagelijkse angst om vader, en niet alleen in hun huishouden.

Als sterren van de hemelPagina 27 uit Norbert A. de Groot, Als sterren van de hemel, De Gooische Uitgeverij 1984, geannoteerd door Carl Paul zelf.

En we praten over Carl en Vera. Carl Paul, de veteraan van de 82e Airborne divisie, die iedere paar jaar tijdens de herdenkingen bij Nelly kwam logeren. Zijn vrouw Vera, Engelse, die tijdens een van zijn ‘leaves’ in Liverpool met hem trouwde. Ze kenden elkaar drie dagen. Carl was een harde, maakte alle luchtlandingen mee en zat in de staf van Gavin. Bijzondere man, die op zijn 96e nog naar de herdenkingen kwam en iedere ochtend van Nelly naar ons liep om even een praatje te maken terwijl ‘the women’ in huis bezig waren. Mariëtte merkt op dat Carl bewonderenswaardig was, maar dat Vera minstens zo bijzonder was. Een stadsmeisje uit Liverpool dat na de oorlog terechtkomt op een farm (lees: vergane blokhut) in Idaho op 30 mijl van de dichtstbijzijnde buren. Met een man met PTSS (het woord kenden ze nog niet, maar de stress was er niet minder om) die zijn woede afreageerde door het rotsachtige land met de hand te ontginnen. En met drie kinderen waarvan er twee op een vreselijke manier jong sterven. Hoe hou je je dan staande? Onder de afwas, als Mariëtte er naar vraagt, geeft Vera het antwoord. The magic word? Acceptance.

Accepteren lijkt makkelijker te worden als we in tijd of nabijheid verwijderd zijn van ons ‘onderwerp’. Maar als het zo nabij is, hoe kan je dan accepteren? Ik heb net – voor de tweede keer – het boek ‘The hare with amber eyes’ (De haas met amberkleurige ogen) van kunstenaar en pottenbakker Edmund de Waal gelezen. Hij schreef eerder over keramiek, maar dit boek gaat over zijn (joodse) familiegeschiedenis. Over accepteren gesproken…
Het boek raad ik je bijzonder aan, zeker als je van familiegeschiedenis houdt.

Met familiegeschiedenis – ook die van anderen – hou ik me graag bezig, omdat de kleine mens, de persoon, de voorouder, je dichter bij de grote geschiedenis brengt. Vorig jaar maakten mijn man en zwager samen een boekje over het leven van hun oom Alex Willems, die door oorlogsgeweld om het leven kwam. Afgelopen tijd heeft Willem Kuppens, mede-auteur van Groesbeek Heights, met zijn kennis van de militaire activiteiten in onze regio geholpen om uit te zoeken hoe dit heeft kunnen gebeuren. We zijn er nog niet uit.
Maar heeft het gevoel dat we het verleden moeten uitzoeken en vastleggen ook met acceptatie te maken? Wordt dat makkelijker als je weet hoe het gegaan is? De voorgaande generaties hebben het accepteren in ieder geval zonder die kennis moeten doen.

En wat het megalomane herdenken betreft: volgens mij moet het niet groter, groter maar kleiner, kleiner. Dan komen we veel dichter bij de angst, de woede en het verdriet van toen.  Als herdenken gedenken wordt.

 Alex Willems
Vandaag, 29 september 2019, is het precies 75 jaar geleden dat Alex Willems omkwam op de Waal te Winssen.

 

Kiek!

De laatste tijd ben ik even meer bezig geweest met cijfers dan met letters. Uit de reacties daarop maak ik altijd op dat de meesten onder ons daar een enorme hekel aan hebben en er niets in zien. Je snapt al, dat heb ik dus juist niet. Ik kan heel veel voldoening halen uit en het mooie inzien van een balans die in balans is en van een opstelling waarbij alles tot op de laatste cent klopt. Het liefst zou ik dan bij het bespreken van de cijfers in de ledenvergadering steeds roepen: Mooi, hè? Mooi, hè? Maar ik denk dat ik dan voor gek versleten word.

Voorafgaand aan de ledenvergadering had ik nog snel een doos magazines opgehaald bij Martine van Romeinen.nu. Ik kende haar al van ‘Nijmegen Graaft’ maar onlangs maakten we hernieuwd kennis toen ik Mirjam verving bij het Romeinennetwerk. Zo wist ik Martine die Romeinenmagazines te ontfutselen en kunnen we allemaal lezen wat er in het hele land in de komende Romeinenweek te doen is. En dat is nogal wat. Naast de informatie hierover kregen we bij de bijeenkomst van het Romeinennetwerk een uitleg over twee belangrijke activiteiten die met ons Romeins verleden te maken hebben.

Zo is de overheid bezig om de Romeinse Limes in Nederland (en een stuk van Duitsland), kortom het Nedergermaanse deel, op de Werelderfgoedlijst van de Unesco te krijgen. De uitleg maakt duidelijk dat dat niet ‘effe’ gaat en dat er jaren van voorbereiding aan vooraf gaan. Centraal in het nominatiedossier en managementplan staat een aantal locaties rond de Limes waarover het beste verhaal te vertellen is. Dat is niet altijd de locatie waar het meest of belangrijkste is teruggevonden, het gaat er vooral om dat je plekken aandraagt waar je de betekenis van de Limes als het ware tot leven hebt gewekt. Naast cijfers en letters gaat het er om dat je een beeld kunt oproepen. Op de site limeswerelderfgoed.nl kun je meer lezen over de plannen en de planning.

De tweede lezing gaat over Holland Marketing. We hebben allemaal gehoord over de toeristen die onze grote steden overspoelen en de Chinezen die Giethoorn zo’n beetje in hun greep houden. Het plan is nu om Nederland te gaan marketen als HollandCity. De afstanden in ons land zijn zo klein dat het geen probleem is voor toeristen om het hele land door te reizen. Maar je moet ze natuurlijk wel ergens mee lokken. Een van de pijlers hiervoor is het ontwikkelen van verhaallijnen. Interessante verhalen/concepten waarmee je de toerist het land in lokt. Er zijn negen landelijke verhaallijnen, waarbij aan iedere provincie is gedacht. Het is vervolgens aan de provincies en steden zelf om in te haken op deze verhaallijnen om zo de aandacht op de eigen omgeving te vestigen.

Klik voor meer info!

Zo ook in Gelderland. Er zijn drie landelijke verhaallijnen die hier van belang zijn, maar voor de Romeinen is in deze lijnen geen plaats. Daar wil de provincie iets aan doen door een eigen verhaallijn rond het Romeinse verleden te creëren. Tijdens de bijeenkomst brainstormen we op verzoek over aansprekende locaties, informatie die van belang kan zijn en over mogelijke input voor een verhaal. We hebben het dan (in goed Nederlands) over storytelling: een verhaal dat meer is dan cijfers en letters, meer dan beeld, maar vooral gaat over beleving en emotie. Mensen in het hart raken door de herkenning van ervaringen en emoties, dat is de rode draad. Dat je de bezoekers iets meegeeft over de Romeinen dat ze zich hun hele leven zullen herinneren. Technieken uit de marketing dus veelal, die wellicht af en toe wat kort door de bocht zullen zijn, maar waarmee je wel heel veel mensen op een inspirerende manier kunt aanspreken.

Ook de manier waarop hieraan gewerkt wordt vind ik heel inspirerend. Nieuwe wegen zoeken om oude verhalen te vertellen. Daar kunnen we bij ons Project Pierson ook zeker iets aan hebben. Want dat is toch eigenlijk precies waar we met ons project naar toe willen? Dat verleden tot leven roepen? Dat jij die huisvrouw bent die in haar vervallen keuken haar mooiste Regoutkommetje heeft laten vallen. Of de jongen die de knikkers van zijn buurjongen in de put gooit. Of de trotse notaris die hier in de 17e eeuw een huis-op-stand laat bouwen.

haar mooiste Regoutkommetje

Soms raakt het verhaal even uit beeld als we ons weer naar onze tsunami van wit aardewerk begeven en we onze avond vullen met zoeken naar dat ene randje dat het schaaltje compleet maakt of die ene scherf die meer blauwwit is dan geelwit. Straks komt het allemaal bij elkaar en dan kunnen we mensen een mooi beeld en een prachtige indruk geven van het leven enkele honderden jaren geleden.

Zo’n beeld dat iconisch is en je je altijd zult herinneren. Want kennen brengt herkennen en niets is zo mooi als de herkenning. Dat kan van alles zijn. Het keukenservies van je moeder op een rommelmarkt, het juiste scherfje in een zee van wit of de emotie van een Romeinse veteraan die zich mag gaan vestigen.

Meisje met de parel

Of zoals het schilderij van het ‘Meisje met de parel’ van Vermeer dat ik onlangs als reproductie zag in een winkel in Nijmegen. Voor mij liep een wat oudere man met zijn vrouw. Toen hij het schilderij zag verscheen om zijn mond direct een glimlach van herkenning. Ik zie hem spontaan zijn vrouw op de schouder tikken en hoor vervolgens in goed Nimweegs: ‘Kiek Mies, de Mona Lisa!’

Luizenmoeder

Afgelopen week is de expositie in Grave ontmanteld. Woensdag om 10 uur precies openden Jan en Albert uit Gennep de stoet ‘ophalers’. Jan heeft nog een prachtig verhaal over zijn noppenroemer (waarmee hij overigens onlangs nog de krant haalde, met vermelding van de expo in Grave). Nadat hij in 1986 de scherven heeft gevonden, durft hij wel de meer eenvoudige glazen in elkaar te lijmen, maar aarzelt hij om aan de roemer te beginnen. Het lijkt hem beter om er eerst mee naar een deskundige te gaan.
Zo komt hij terecht bij Frides Lameris en zijn dochter Kitty. Kitty is net afgestudeerd op roemers en vader Frides wil zijn dochter testen. Op een van de scherven staat de datum van de roemer gegraveerd. Deze scherf haalt hij tussen de andere uit en houdt hem achter. Vervolgens legt hij de overige scherven aan zijn dochter voor. Kitty dateert de roemer tussen 1646 en 1648. Daarna haalt vader de ontbrekende scherf tevoorschijn: 1647. Dochter geslaagd! Jan laat de eerder door hem geplakte glazen zien: en ook hij is geslaagd: ze vinden dat hij de noppenroemer op dezelfde manier kan plakken. Zo gezegd en iets minder snel gedaan: zeker één van de blikvangers op onze tentoonstelling.

John Jansen komt het materiaal van Oss, Ravenstein en Deest ophalen. Mergor in Mosam haalt het prachtige Romeinse schoeisel. De conditie is goed gebleven tijdens de expositie, maar de schoenen gaan nu eerst weer een aantal maanden in het water, om vervolgens opnieuw geconserveerd te worden. Dan kunnen ze weer tien jaar mee. Cor Nijenhuis verzamelt de spullen uit Huissen. Het prachtige kinderlaarsje wordt in een speciaal kistje geschroefd voor transport. Ook Martien maakt zijn vitrine leeg en het lijk (uit Escharen) gaat weer in de kast.

Woensdagavond kunnen we veel materiaal meteen weer in de werkruimte en in het depot terugbrengen. Ben heeft het materiaal meegenomen dat retour moet gaat naar het Valkhofmuseum, Museum Kasteel Wijchen en de Wim Tuijn-collectie. Met Bas en Aad vervoer ik de spullen van Kelfkensbos en Pierson. Kees zoekt plaats in het depot. Mooi op tijd, want de Pierson-groep is bijna klaar met de inventarisatieronde!

Donderdag wordt de WW2-vitrine ontruimd. Roeland neemt het vitrinebordje mee als herinnering. Het bureautje ‘van Wim’ dat ik vlak voor de expositie bij de kringloop had gekocht gaat mee terug naar huis. Ik vond het al leuk maar het heeft een extra dimensie nu het een tijdje de spullen van Wim heeft gehuisvest. Aad en Marcel brengen het ‘WW2-roest’ terug naar Bureau Archeologie. Ook alle foto’s, posters en borden krijgen daar een plaats. Zo kunnen we het hergebruiken: als wanddecoratie in onze werkruimte en als informatie wanneer we ergens een kraam of infostand hebben.

Archeologie van de

Als laatste halen Marijke en ik de letters van de wanden… en dan herinnert niets meer aan onze activiteiten in het Graafs Museum. Over een paar weken opent de nieuwe expositie: van het gilde in Grave. Gaat dat zien!
Na gedane zaken filosoferen we bij koffie en appeltaart (van Ben) alweer over een nieuwe expositie, over vijf jaar. Want ja, die zijn zó om.

Mijn blog is trouwens ook alweer bijna om. Terwijl ik nog wel wilde schrijven over de uitleg die Peter van de Broeke bij ons hield over prehistorisch aardewerk en de kenmerken daarvan. Ik had een deja vu-ervaring toen Peter ons na afloop een grote hoeveelheid scherven liet zien en daarbij een aantal opdrachten gaf. Wim Tuijn kon je ook zo verwachtingsvol aankijken als hij iets had uitgelegd en hoopte dat je het goede antwoord zou geven. Peter heeft diezelfde blik. Ik hoop dat hij nog vaak terugkomt. Na zo lang bezig te zijn geweest met middeleeuws- en nieuwe tijd-materiaal is het fijn om weer eens die grove brokken in handen te hebben.

prehistorisch aardewerk

Peter vertelde dat het zeer aannemelijk is dat dit aardewerk door vrouwen werd gemaakt. Best logisch eigenlijk: zij waren het die kookten, die precies wisten wat ze nodig hadden, en die voor de bereiding van eten toch al met vuur in de weer waren.

Ik kan me er alles bij voorstellen hoe moeders die vaardigheden op hun dochters overbrachten. ‘Kom Imma, goed kneden, alle lucht moet uit de klei.’ ‘Ja, maar mam, ik wil met Idis spelen.’ ’Eerst dat potje afmaken, en dan mag je weg. En blijf met die kleihanden uit je haren.’ ’Ja, maar mam, ik heb jeuk.’ ’Dat krijg je ervan als je met Idis speelt. Ik haal de kam en dan maken we eerst vlechten voor je gaat. En dat potje maak je ook af.’
En dat je dan als luizenmoeder eerst een uur bezig bent om die verrekte beesten uit je dochters klitten te halen. En dat die er dan natuurlijk gauw tussenuit knijpt voordat ze haar potje heeft afgemaakt. En dat je dan als moeder denkt, weet je wat, die kam erin en toedeledoki. En dan krijg je dit…

 luizenkamgevonden bij een dassenburcht

Nou ja, mijn fantasie gaat met me op de loop. De getoonde luizenkam is trouwens Romeins en komt uit de Maas bij Cuijk (via Mergor in Mosam op onze expositie). De getoonde scherven zijn wel prehistorisch (ijzertijd) en recentelijk door Rob de Loos gevonden bij een dassenburcht. Eruit geworpen door vader das bij het graven van een riant aanleunhol voor zijn schoonmoeder…sorry.
Deze vondst zal overigens nog beschreven worden.

Onder Ons

‘Ga je nog een blog schrijven?’, vraagt Aad, voorzichtig, woensdagavond. ‘Ik heb twee halfgare blogs liggen, Aad, maar ja, druk, druk, druk!’ Eerder die avond heb ik overlegd met de WW2-archeologen over hun nieuwe boek en met Ben over het afbreken van de tentoonstelling. Geprobeerd het aantal overgebleven jubileumboeken vast te stellen in verband met de jaarrekening en Fred gevraagd naar de contactpersoon van de museumwinkel van het Valkhof. Nu Maria van Gelder weg is willen ze daar misschien ons boek alsnog verkopen. Gelukkig nog tijd om een paar Piersondozen van twee weken terug van de juiste foto te voorzien. Maar te weinig ‘input’ – toepasselijk woord – om er een blog aan te wijden.

Ik moet denken aan mijn vader. Hij was mijn hele jeugd penningmeester van de lokale hengelsportvereniging. Hoe anders was dat in een tijd dat ‘digitaal’ nog niet bestond. En dat met bijna 2000 leden! De vereniging had ‘bodes’ die de ‘convocaties’ rond brachten voor vergaderingen. Zij brachten ook de lidmaatschapskaarten bij de leden om de contributie te ‘beuren’. Pa rekende met hen af en alle overgebleven kaarten stonden bij ons thuis in het kantoor.

Het kantoor was een kamertje naast de voordeur. Mijn vader deed daar de administratie van zijn bedrijf en van de visclub, mijn moeder typte er facturen en naaide er onze kleren. Het zachtboard plafond toonde een voortdurend wisselende landkaart van bruine vlekken, want het bad lekte blijkbaar nooit genoeg om mijn vader tot reparatie aan te zetten. In het kantoor kwam ook het clubbestuur bijeen, en de kascommissie, en hier haalden de leden hun lidmaatschapskaarten op als ze de bode gemist hadden.

Dan ging er geen maaltijd voorbij zonder dat iemand z’n kaart kwam afhalen. Als de bel ging keken we elkaar aan: wie heeft er zo dadelijk koud eten? Meestal mijn zus of ik, want pa stond nooit op. Zo was de visclub onderdeel van ons leven. Op zondag gingen we vaak naar boeren in de omgeving. De vereniging pachtte van hen viswater voor de leden en pa’s taak was het om dat handje contantje af te rekenen. De bezoeken bij boer Biesters in Dreumel waren heel apart en ben ik nooit vergeten. Wie schetste mijn verbazing toen er twee jaar geleden een boek over hem en zijn familie verscheen onder de titel “Ongemakkelijke mensen”. Die sfeer, dat vreemde: hun kleindochter Elly Biesters wist het als geen ander te beschrijven. Lezen!

Pa ging graag vissen, liefst in het IJsselmeer. Dan reed hij er de avond van te voren heen, sliep in de auto (onze gouden koets, een stationcar waar precies een matras in paste) en stond bij het ochtendgloren aan het water. Even een dagje ertussenuit om te ontspannen. Even zo ontspannen ging ik dinsdag in Amersfoort plakken met Rianet en vergat spontaan de vergadering van het Romeinennetwerk waar ik Mirjam zou vervangen. Dat was pa toch nooit gebeurd! Ik schaam me wel een beetje. Ik ben nog niet zo één met de functie als hij.

Al doende gaat de tijd snel. Deze week gaan we onze mooie tentoonstelling alweer afbreken. Afgelopen week nog een laatste keer – met de familie – naar Grave. Ook de volgende generatie is erbij. Bij hen is ‘mijn club’ geen onderdeel van hun leven, maar de belangstelling voor het verleden wel. Bij de doos met Piersonscherven die ik openmaak roepen ze spontaan dat ze dat ook wel zouden willen puzzelen. Maar een blik op de foto van onze groep ‘er zijn alleen maar oude mensen’ tempert het enthousiasme.

Weer denk ik aan de club van pa, die als naam droeg: Onder Ons. Want onder ons, hoe gezellig ook, is misschien wel het probleem van onze club. Teveel onder elkaar en te weinig nieuwe neuzen. Geen activiteiten voor de jeugd of voor jong volwassenen. Daar moeten we toch nog eens over brainstormen en kijken hoe we dat actiever kunnen veranderen. Op zoek naar nieuwe neuzen, vers bloed, aspiranten. Belangrijk voor de toekomst van de club. Weer een schone taak erbij!

toen je natuurlijk nog ging vissen met colbert en stropdas...

Net na de oorlog: toen je natuurlijk nog ging vissen met colbert en stropdas…

Bitterzoet

Afgelopen week de eerste bespreking voor een nieuw boek van de werkgroep Archeologie van de Tweede Wereldoorlog. Het duurt nog even voor het verschijnt, maar het is al leuk om ermee bezig te zijn. Vooral discussies over de titel houden de gemoederen altijd bezig. Die moet natuurlijk pakkend zijn, en begrijpelijk, de lading dekken en origineel zijn. Ga er maar aanstaan. De archeologie van WO2 spreekt trouwens enorm aan, ook op de expositie in Grave. Zet een schoolklas kinderen bij de ingang en de vitrine met de parachute van camouflagestof is net een magneet. Gaaf en cool vinden ze ‘t. Ze beseffen wel dat echte oorlog geen videogame is, maar net zo min als wij – die er niet bij waren – kunnen ze zich een voorstelling maken van de verschrikkingen van die tijd. De WO2-archeologie kan dat ook niet, maar helpt ons wel bij het vaststellen van de omstandigheden en plaatst ze in de ruimte van nu.

19e eeuws industrieel aardewerk 19e eeuws industrieel aardewerk

Terug in het depot heb ik nog een uurtje om een Pierson-doos uit te pakken. Ik stuit op 19e eeuws industrieel aardewerk. Prachtige plaatjes uit verre streken versieren de schaaltjes, kopjes en borden. Voor de arme bewoners van de Zwanengas moet het bijzonder zijn geweest om dit soort aardewerk en porselein in huis te kunnen hebben.

een keuken uit Vlaardingen

Als je de omstandigheden van die tijd ziet (zie deze foto van een keuken uit Vlaardingen) moet dit aardewerk met ‘zoete’ plaatjes toch een beetje vreugde in ’t leven hebben gebracht.

Sphinx-merkSphinx-merk   Sphinx-merk

Met behulp van het boekje ‘Maastrichtse ceramiek’ van A. Polling dateer ik een kommetje. Ik leer dat we te maken hebben met beeldmerk 70, het eerste Sphinx-merk. Dit beeldmerk was er in diverse versies en werd gebruikt vanaf 1883. Het leuke is dat deze variant een turf-datering heeft. Links van het beeldmerk zie je een 8 en vervolgens 9 turfjes. Ik tel uit dat het kommetje in 1889 vervaardigd is.

Het materiaal werd gedecoreerd met transfer prints. Dit Youtube filmpje laat zien hoe dat in z’n werk gaat. Alle handelingen worden geïsoleerd en gestandaardiseerd. Zo heb je geen bijzondere skills nodig om in het arbeidsproces te worden ingezet. Zelfs de jongste kinderen worden door fabrieken als die van Petrus Regout aan het werk gezet om de productie te optimaliseren. Werknemers: mannen, vrouwen en kinderen werden uitgeknepen, vaak gedwongen tot nachtwerk en hun persoonlijke leven werd tot nul gereduceerd. Eenmaal in de ‘greep’ van Regout was het moeilijk daaruit te ontsnappen. De zoete plaatjes verhullen zo een heel wat minder rooskleurige herkomst.

ons koloniaal verleden

Soms zijn de plaatjes zelf ook minder zoet en kijk je er wat ongemakkelijk naar. Zoals deze afbeelding die herinneringen oproept aan ons koloniaal verleden. Ik weet niet precies wat ik zie, maar ik krijg er toch een akelig gevoel bij. Van wat toen wel kon en nu echt niet meer. Zo’n gevoel als bij de Pietendiscussie. Die mijd ik het liefst. En ik ben denk ik niet de enige. Van mij mag Piet alle kleuren van de regenboog hebben, voor het feest en voor kinderen maakt dat toch niets uit. Maar onze geschiedenis verander je er niet meer mee. Door de discussie herinnert iedere pepernoot nu aan dat ongemakkelijke verleden. En juist dat is volgens mij de oorzaak van de verharding van de discussie: we willen er liever niet aan herinnerd worden, hoe terecht dat ook is.

En zo zijn onze vondsten vaak bitterzoet. Of het nu een pepernoot is, Regout-aardewerk of een, ja, of een condoom. Op onze expositie liggen in de WO2-vitrine door de legerleiding verstrekte en in de verpakking teruggevonden condooms. Zo leuk en bijzonder dat we die hebben. Maar laatst herinnerde iemand mij eraan hoe jammer dat eigenlijk is voor de parachutist van wie ze geweest zijn. Want als hij het pakje had opengemaakt om te gebruiken, hadden wij de inhoud nooit meer teruggezien!

Enfin. Wie vanavond thuis pakjes gaat openen, wens ik veel plezier. En wie dat in het depot gaat doen wens ik dat evenzo. Maar ja, voor ons is iedere woensdagavond pakjesavond.