Pauline’s Blog

 

Pauline de Weijer

 

Wil je reageren op een van mijn blogs? Dat kan door de betreffende titel aan te klikken. Eerdere blogs zijn terug te lezen in het archief rechtsonder, selecteer maand en jaar.

 

Een rooie duit

De afgelopen maand is omgevlogen. Maart en april staan altijd in het teken van de Jaarrekening en het Jaarverslag. We leggen als afdelingsbestuur verantwoording af aan onze leden over onze inkomsten en uitgaven. En we leggen verslag van onze activiteiten in het afgelopen jaar. Wim Tuijn, de oprichter van onze afdeling, was daar altijd zeer strikt in: wie schrijft die blijft. Iedere opgraving, iedere vondst moet beschreven worden, want een beschreven vondst heeft (toekomst)waarde. Toch merk ik dat ons jaarverslag zich in de loop der jaren langzaam wijzigt. In vorm en kleur natuurlijk, maar ook qua inhoud. Vroeger waren het voornamelijk beschrijvingen van individuele of gezamenlijke vondsten. In die tijd werd er nog volop door amateurs gegraven, toen je daarvoor nog geen bevoegdheid nodig had. Ook kon de gegenereerde informatie nog niet in een landelijk systeem worden opgeslagen. Nu is er meer aandacht voor het sociale aspect, voor de gezamenlijke beleving van de archeologie. Toevalsvondsten kun je bij het RCE melden en laten registreren, een artikel in een jaarverslag is dan niet altijd nodig om de informatie voor de eeuwigheid te bewaren. 

Toch blijven artikelen van alle leden welkom, want wie leest er nu niet graag over vondsten uit de eigen omgeving? Een mooi moment om jullie, als lezer, op te roepen om over een eigen of verwerkte vondst eens een beschrijving te maken voor het komende jaarverslag. Het is een mooie oefening in determinatie en het gebruik van bronnen. En we hebben voldoende deskundigen in onze afdeling om je verhaal aan voor te leggen als je wat feedback wilt voor je het publiceert.

    

Mijn eigen eerste bijdrage aan een jaarverslag (in 2004) ging over een spinklosje dat mijn broer ooit in zijn tuin vond. Ik kwam het klosje toevallig laatst weer tegen. Ik had er een spil in gemaakt, zodat ik wat experimentele archeologie kon plegen, want ja, hoe werkt zo’n ding. We zijn vaak goed in determineren, maar minder goed in hoe voorwerpen daadwerkelijk gebruikt werden in het verleden.  Dit filmpje geeft je een idee hoe het spinnen met een klosje in zijn werk ging.

Het klosje werkte maar was duidelijk bedoeld om alleen dunne draden te spinnen: hoe kleiner het klosje, hoe dunner de draad noodzakelijkerwijs wordt. Een klein klosje heeft niet genoeg power om efficiënt een dikke draad te maken. Een tijd lang ben ik daarna bezig geweest met de spinklosjes van Museum Kasteel Wijchen. Ik wilde eigenlijk kijken of er bewijs te vinden was voor de theorie dat je voor verschillend te spinnen materiaal, bijvoorbeeld linnen of wol, een ander formaat spinklosje nodig hebt. Het leven kwam helaas tussenbeide: mijn project is nooit afgerond. Maar mijn verhaal in het jaarverslag is hier nog steeds te lezen. Zoals alle verhalen uit alle oude jaarverslagen overigens: Aad heeft een prachtige index op vindplaats gemaakt. Met die index kun je gericht kijken naar wat er op een bepaalde plaats door de AWN is onderzocht of gevonden.

Onlangs heb ik eindelijk een muntje kunnen identificeren waar ik al twee weken mee rondloop. Goed voor het inslapen is het wel: op internet heb ik duizenden afbeeldingen van muntjes de revue laten passeren, zonder dat ik tot identificatie kwam: dan was ik intussen alweer in slaap gevallen. Een goed alternatief voor schaapjes tellen. Al is het wat Dagobert Duckerig: munten tellen ;-). Ik vond dit heftig versleten muntje tijdens een van mijn mudlark-sessies. Langs de Rijn, in de buurt van Rees. Ik ging er aanvankelijk vanuit dat het wel een Duits muntje zou zijn, stroomafwaarts gevonden van waar ie oorspronkelijk vandaan kwam. Dat het iets was als een Duit (en ik leerde van Kees Brok dat dat in Duitsland waarschijnlijk een Taler was) werd al snel duidelijk: het is een roodkoperen munt met een groene verkleuring. Bij navraag op onze woensdag clubavond bleek er niet echt een muntjesspecialist onder de aanwezigen te zijn. Men meende een datering van 1587 te zien boven een tekst. Maar duiten hebben de datering bijna altijd onder de tekst. En als ik de munt omdraaide leek er 1887 te staan, onder de tekst, maar in 1887 had je al geen duiten meer. Een raadsel, kortom.
Tekenen dus maar, dat ding. Ik leek een I te zien, en een N. Clivia misschien, van Kleve? Helaas, nee dus. Ik zal jullie eerst even (het restant van) mijn muntje laten zien:

En gisteravond was het dan opeens raak: het is een koperen Duit uit Stevensweert. Op de website Nederlandsemunten.nl leer ik dat er helemaal geen jaartal op staat. Er blijkt SST te staan met daaronder INSU LA. (Sancti Stephani Insula). En op de andere zijde staat het gekroonde wapen van Bergh. Nu ik weet wat het is, kan ik meer informatie zoeken. Stevensweert ligt op een soort eiland tussen twee Maasarmen, ten zuidwesten van Roermond, tegen de Belgische grens. In het begin van de 15e eeuw wordt hier een kasteel neergezet door de graven van den Bergh en krijgen zij de heerlijkheid Stevensweert in hun bezit.

Op duiten.nl lees ik dat er twee muntperioden zijn geweest. Twee broers van het bekende geslacht Van den Bergh kiezen in de Tachtigjarige oorlog voor verschillende kanten. (Ik moet meteen weer aan mijn opa en zijn tweelingbroer denken.) Willem kiest de zijde van Willem van Oranje. En Frederik kiest voor de Spanjaarden. Als de Spanjaarden winnen krijgt Frederik via de Spanjaarden in 1568 Stevensweert (en Hedel en Boxmeer) in zijn bezit, bezittingen die eerder van Willem zijn geweest. Frederik opent in Stevensweert een soort dependance van het munthuis in Hedel. Dit is de eerste muntperiode.

In 1592 sterft Frederik ongehuwd. Maar hij heeft zich na de dood van zijn broer Willem (1586) verzoend met diens weduwe en kinderen, die van hem erven.
Bij een boedelscheiding in 1598 onder de kinderen van graaf Willem krijgt de achtste zoon, Hendrik, de heerlijkheid Stevensweert. Hij heropent ca. 1616 de Stevensweertse munt om er allerlei imitaties te gaan slaan. Dit is het begin van de tweede muntperiode. Nog voor zijn dood geeft hij aan zijn zoon Herman Frederik de heerlijkheid Stevensweert en in 1626 ook het muntrecht.

Hendrik van den Bergh is dan nog in dienst van de Spanjaarden: hij is zelfs opperbevelhebber van het Spaanse leger in de Nederlanden. Hij is uitermate belangrijk in de strijd om vestingen als Gulik, Breda, ’s-Hertogenbosch, Wezel en Goch. Zijn tegenstanders binnen het leger proberen hem verdacht te maken, tegen deze achtergrond moet je zijn aandeel in een samenzwering zien tegen de Spanjaarden: in 1632 pleegt hij verraad en loopt over naar Staatse zijde. De Spanjaarden veroordelen hem bij verstek ter dood en zijn goederen worden geconfisqueerd. Stevensweert is dan in Staatse handen maar de munt wordt voor altijd gesloten.

Een mooi exemplaar van de munt zoals deze is te zien is op duiten.nl.

Door alle genoemde verwikkelingen is de munt goed te dateren: hij komt uit de tweede muntperiode: tussen 1628 en 1632. De tekst SST INSU LA betekent Sint Stephanus eiland en verwijst naar Stevensbeek als eiland in de Maas. Om de tekst staan een tulpenkrans. Op de achterkant het wapen van Bergh met klauwende leeuw. De rand van het schild is versierd met kleine of grote bollen (bezanten). Van de munt zijn vele varianten gevonden. Ik lees dat dit soort duit bedrieglijk veel lijkt op de duiten uit Overijssel en dat dat niet toevallig was. Door de Staten-Generaal wordt gewaarschuwd tegen de munten uit Stevensweert. Maar waarom, dat staat er niet bij. Dus dat roept meteen weer allemaal vragen op. Werd er in Stevensbeek gesjoemeld met het muntgewicht? Of had een Overijsselse duit standaard een hoger gewicht? En als je muntrecht had, dan was jouw munt toch wel een officieel betaalmiddel? Of was het een imitatiemunt die helemaal geen waarde had? Wie het kan uitleggen: vertel!

Al met al dus geen door de Rijn stroomafwaarts meegenomen munt. Hoe hij in Rees is terechtgekomen? Wellicht al in de Tachtigjarige oorlog toen men onder Hendrik van den Bergh Wezel en Goch ging belegeren, misschien was het soldij… zwaar gehavend is hij in ieder geval wel. Maar ik ben blij met mijn eerste op het oog gevonden muntje. Bijna 400 jaar oud. Een mooie beloning na de officiële afsluiting van ons archeologische jaar! 

P.S. Een kijktip. Het aardige programma Dwars door de Lage Landen, waarin drie Belgen wandelend hun weg zoeken, komt in de aflevering van dinsdagavond a.s. door Groesbeek en besteedt aandacht aan de Tweede Wereldoorlog. In deze aflevering vertelt mijn voormalige buurvrouw Nelly Kerkhoff – van Raay (die ik in mijn blog regelmatig heb aangehaald) over haar herinneringen aan de oorlog.  VPRO, NPO2, 20.25 uur.

Moeder

 

Foto AP

 

‘Dat is in de oorlog gebeurd’, weet ik van mijn vader over de beschadigingen aan de achterkant van ons huis in Tiel. ‘De oorlog’ kwam vroeger vaak ter sprake. Niet als hoofdonderwerp, maar ergens, op een verjaardag, in een gesprek, dook die oorlog altijd weer op. Hoe mijn vader met zijn ouders aan het begin van de oorlog, 13 mei 1940, met de fiets naar Gouda moest evacueren. Dat hij zo’n honger had onderweg. Dat ze ’s avonds heel laat een onderdakadres kregen in Waddinxveen, en dat ze daar zoveel te eten kregen dat hij het niet op kon. En hoe hij daarna – als het eten weer eens niet zo ruim was – vaak droomde van dat laatste stukje karbonade dat hij op het bord had laten liggen.

Mijn moeder vertelde hoe mijn oma het chaotische gezin leidde toen ze in januari ‘ 45 van de bezetter moesten evacueren. Vanuit Tiel via Driebergen naar Friesland. Hoe ze in de chaos van een invalide geworden man, heel veel kinderen, waaronder een tweeling, ook de ‘kostganger’ mee wist te krijgen door hem de jongste te laten dragen. Dat het zo koud was en zo smerig, dat ze in Driebergen in een klooster op de grond sliepen en dat mensen in een hoekje van de gang hun behoefte deden omdat de toiletten het niet meer deden. Dat het zo stonk. En dat het gezin uiteindelijk in Friesland verdeeld werd over verschillende gezinnen. Die het goed bedoelden, maar die zo vreemd waren en die ze niet konden verstaan. En dat haar moeder de etalage van een winkel huurde waar ze weer samen konden zijn. 

Ik denk aan onze oude buurvrouw in Bredeweg. Hoe ze tijdens operatie Market Garden als klein meisje met het gezin in de schuilkelder zat, samen met het gezin van de vorige bewoners van ons huis. Dat ze te lang hadden gewacht met vluchten en zo als het ware onder de frontlinie waren beland. Dat ze, steeds als het luik openging, bijna bevroren waren van angst. Soms waren het Amerikanen, soms Duitsers. Tien dagen duurde het, en toen moesten ze van de Duitsers weg. Ze mochten alleen naar Duitsland, want ze waren aan die kant van het front terechtgekomen. Eerst lopend door het Reichswald naar Kleef en later ook weer lopend, door het bos, verder naar het zuiden. Hulp was er niet. De vader besluit uiteindelijk dat ze moeten proberen Ottersum te bereiken. Daar woont een achterneef. Maar ja, dat is wel aan de andere kant van de grens. Ze hebben geluk, ergens in het donkere verre veld worden ze doorgelaten door een Duitser met het hart op de juiste plaats. Midden in de nacht – na ook nog eens een zoektocht in het verduisterde stikdonker – staan ze met veertien mensen op de stoep. Het duurt even voor er open wordt gedaan, maar als de situatie duidelijk wordt komt er meteen eten en worden er bedden op de grond gemaakt. Het is niet makkelijk, dat voelt mijn buurvrouw wel, maar ze voelt ook rust. Even veiligheid.

Alex Willems was de oom van mijn man. Ik schreef al eens over het boekje dat Marcel en zijn broer over hem gemaakt hebben: ‘De man achter de foto’. Die foto stond op het dressoir bij alle broers en zussen. Hun kinderen groeiden op met die foto. Hij stierf in de nadagen van Market Garden nadat een aangemeerd schip werd geraakt door geallieerd vuur. Sommige familieleden hoorden pas na de oorlog wat er die dagen was gebeurd. Dan komt het verdriet met vertraging. En moeder kwam het verdriet over die oudste zoon nooit te boven.

En dan denk ik ook aan Wim van Leeuwen, de tweelingbroer van mijn opa, die het bolsjewistische gevaar wilde bestrijden en zich aansloot bij de Wehrmacht. Hij stierf op 1 oktober 1944 in Portogruaro in Italië. Pas jaren later krijgt de familie dat te horen. Wat zich in Italië heeft afgespeeld hoop ik ooit nog eens te achterhalen. Zelf weet ik het verhaal over deze broer alleen door een toevallig ontdekte brief. Mijn opa heeft nooit over hem gesproken. Van Wim was er geen foto op het dressoir.

Bijna allemaal kennen we persoonlijke verhalen uit onze familie. Geen heldenverhalen, maar hoe de oorlog hen overkwam. De scherpe kantjes zijn eraf, zoals het zeeglas dit ik soms vind. Maar de kern blijft: de narigheid, de angst, de onzekerheid, het verdriet om dierbaren. In mijn hoofd hoor ik die verhalen van vroeger. Maar wat ik zie zijn de beelden van nu. Opnieuw de narigheid, de angst, de onzekerheid, het verdriet om dierbaren. En nu zijn de rauwe kantjes er nog niet af. Het komt vers binnen, en hoewel er geen verwanten of geliefden bij zijn, raakt het je diep.

Op woensdagavond staat Rianet bij de deur van het depot. Ze heeft onze woensdagavondgroep per app opgeroepen warme kleding, dekens en verzorgingsmateriaal mee te nemen voor een transport richting oorlogsgebied. Ik heb net een kast opgeruimd dus er staat een tas paraat. De korte broeken hou ik maar achter. Heeft het zin, dit soort particuliere initiatieven, denk ik wel eens. Ik weet het niet. Maar baat het niet, dan schaadt het niet. Als er maar één iemand geholpen is dan is het de moeite van alle vrijwilligers waard.

Zelensky roept Russische moeders op hun dienstplichtige zoons niet naar het front te laten gaan, lees ik. Dat brengt mij precies bij iets waar ik jullie over wil vertellen. Eind jaren ’70 kreeg ik tijdens mijn opleiding een opdracht voor een ‘multimedia’-project waarbij beeld en geluid een geheel moesten vormen. Vlak daarvoor had ik een lied gehoord waarvan ik nogal onder de indruk was. Dat lied werd de basis voor mijn project. Ik maakte er dia’s en tekeningen bij. Het lied nam ik op cassette op en met een diastuurapparaat voegde ik pulsjes toe, die vervolgens twee diaprojectoren op het juiste moment aanstuurden om de volgende dia te tonen. Voor die tijd een complex gebeuren, nu klinkt het onmogelijk primitief. Maar het gaat me vooral om dat lied.

Het nog even actueel als toen het in 1926 door Kurt Tucholsky werd geschreven, over de zinloosheid van de oorlog.

Der Graben
Mutter, wozu hast du deinen aufgezogen?
Hast dich zwanzig Jahr mit ihm gequält?
Wozu ist er dir in deinen Arm geflogen,
und du hast ihm leise was erzählt?
    Bis sie ihn dir weggenommen haben.
    Für den Graben, Mutter, für den Graben.

Junge, kannst du noch an Vater denken?
Vater nahm dich oft auf seinen Arm.
Und er wollt dir einen Groschen schenken,
und er spielte mit dir Räuber und Gendarm.
    Bis sie ihn dir weggenommen haben.
    Für den Graben, Junge, für den Graben.

Drüben die französischen Genossen
lagen dicht bei Englands Arbeitsmann.
Alle haben sie ihr Blut vergossen,
und zerschossen ruht heut Mann bei Mann.
    Alte Leute, Männer, mancher Knabe
    in dem einen großen Massengrabe.

Seid nicht stolz auf Orden und Geklunker!
Seid nicht stolz auf Narben und die Zeit!
In die Gräben schickten euch die Junker,
Staatswahn und der Fabrikantenneid.
    Ihr wart gut genug zum Fraß für Raben,
    für das Grab, Kameraden, für den Graben!

Werft die Fahnen fort!
Die Militärkapellen spielen auf zu euerm Todestanz.
Seid ihr hin: ein Kranz von Immortellen –
das ist dann der Dank des Vaterlands.

    Denkt an Todesröcheln und Gestöhne.
    Drüben stehen Väter, Mütter, Söhne,
    schuften schwer, wie ihr, ums bißchen Leben.
    Wollt ihr denen nicht die Hände geben?
    Reicht die Bruderhand als schönste aller Gaben
    übern Graben, Leute, übern Graben -!

Het gedicht, dat in de Hitlertijd verdrongen werd, is in 1959 door Hanns Eisler op muziek gezet. Ik gebruikte voor het project de versie van Gisela May, die je hier kunt horen. Beklemmend. En helaas een lied van alle tijden.

Vorige maand hoorde ik dat ons kleine meisje moeder wordt. Laten we hopen dat haar kind, onze kleinkinderen, alleen over oorlog hoeven horen uit verhalen en gedichten van heel lang geleden. Verhalen waar de scherpe kantjes af zijn. Laten we het hopen.

De pot op!

Twee maanden het nieuwe jaar in en mijn goede voornemens laten hun rafelrand zien. Ja, ik was het van plan. Nee, ik heb goede excuses. Ja, ik zou toch minstens een blog per maand gaan schrijven. Ook als er andere zaken gedaan moeten worden. Vaak heb ik uit mijn volle hoofd al een paar ‘beginnen’ geperst, maar die leiden dan niet tot een compleet verhaal. Zoals dit begin, dat ik in januari in een mail aan mezelf schreef toen mijn laptop kapot was en ik een Apple zonder Word had geleend:

‘Ze hebben ook een grotere!….’, zegt de mevrouw achter me in de rij bij de kringloopwinkel indringend, terwijl ze op mijn mandje wijst. Met moeite kom ik boven uit mijn gedachten en kijk in het mandje. Een grotere bloempot? Een groter schilderij? Een groter tijdschrift? Een grotere lap stof? Ik heb geen idee wat ze bedoelt. Tegen de tijd dat ik een antwoord heb samengeraapt is ze alweer druk met de aankopen van iemand anders. Gelukkig. Thuisgekomen krijg ik een app van Aad. ‘Als je nu geen stof hebt voor een nieuwe blog…’. Ik heb geen idee wat hij bedoelt. Dus ik app maar terug: ‘Ik neem aan dat je niet ‘The Voice’ bedoelt, maar onze laatste opgraving?’ Waarop ik het cryptische antwoord krijg: ‘Je weet het vast wel te combineren’.

Kijk dat bedoel ik. Een leuk begin…maar een maand later hebben we heel ander nieuws dan de pornografische huisvlijt (ik citeer Jort Kelder) van BN-ers.

Toch nog maar even terug naar die opgraving. Heerlijk was het dat we na zo’n lange tijd weer konden graven. In mijn vorige blog ben ik er al even over begonnen. En kon ik niet laten om alvast de mooiste vondst uit het grafveld te laten zien. Wat een schat. We zijn met negen leden vertegenwoordigd, bij toerbeurt, dus steeds als je komt is het even heroriënteren. Inmiddels is het grafveld dichtgegooid en zijn we een aantal putten opgeschoven. Er worden sporen gevonden van vier huizen (greppels en paalgaten) en een aantal afval/beerkuilen en waterputten. Alle tekenen duiden op een inheemse (Bataafse) nederzetting. De waterputten gaan behoorlijk diep en er worden door de vrijwilligers heel wat kuubs grond verzet. In de gemeenschappelijke app worden de foto’s gedeeld, want er wordt door verschillende mensen op opeenvolgende dagen aan gewerkt.

Een van de profielen. Klik aan voor groot.

 
Uit het laatste waterput-profiel worden DNA-monsters genomen. De monsterjager verschijnt hiervoor geheel in een witte overal om de monsters niet te besmetten. Pepijn (de opgravingsleider) vertelt dat de resultaten van DNA-analyse er al na enkele weken kunnen zijn. Dat proces wordt geheel geautomatiseerd uitgevoerd. Met de computer worden alle gevonden DNA-profielen opgesteld (dit kunnen miljoenen profielen zijn), de dubbelen worden uitgefilterd en zo ontstaat er een min of meer handzame lijst met alle gevonden stoffen. En dit dan weer apart voor elk segment van het profiel. Het kan om DNA gaan van niet-humane bronnen zoals stuifmeel van planten, bacteriën en chemische elementen, DNA van dieren, en ook menselijk DNA kan gevonden worden, zelfs al via huidschilfers. Misschien een idee voor een lezing, bedenk ik opeens: iemand die dit eens helder aan ons uitlegt, liefst met wat sappige voorbeelden natuurlijk.

Op mijn laatste dag in het veld komen we bij een meer recent gebeuren. Ook dit lijkt een waterput of wellicht een reservoir. Hij heeft mogelijk gehoord bij de huizen die hier tot in de jaren ’70 hebben gestaan. Op de kaart van 1832 kan ik geen bebouwing vinden. Later hoor ik dat de huizen van later datum zijn. Mark en ik krijgen de opdracht om eerst de buitenkant van de put vrij te maken om vast te leggen en vervolgens een coupe te maken. De put is gemetseld met halve stenen en een kalkachtige specie. Met een moker slaan we de helft weg. Eerst denken we nog een deksel ontdekt te hebben, maar gaande het leegmaken komen we recent materiaal tegen. Plastic, lege broodzakjes, een glazen zoutvaatje. Toch wel een tegenvaller. Maar als we iets doen doen we het goed: de put wordt keurig schoon opgeleverd.

Intussen moet ik even naar de DIXI. Graafjas omhoog, fleece omhoog, broek naar beneden, thermohemd omhoog, thermobroek naar beneden, hemd omhoog, onderbroek omlaag. Het valt niet mee in zo’n kleine ruimte. Ali B. zou er nog een hele klus aan gehad hebben… als ik niet minstens vier keer te oud was geweest. Terwijl ik alles weer op de plaats wurm denk ik aan de vrouwen die ooit in deze kleine inheemse nederzetting gewoond hebben. Ongetwijfeld waarschuwden de moeders toen ook al hun dochters: ‘Kijk uit voor de Romeinen, en die soldaten zijn niet te vertrouwen. Niet in je eentje naar Noviomagus lopen, en denk erom: beslist niet naar de canabae!’ 

Deze week wordt de opgraving vervolgd. Er moet eerst wat asfalt gestript worden, dus benieuwd wat we daaronder gaan vinden. Nu de meeste Coronamaatregelen tot het verleden behoren, volgen de afdelingsactiviteiten elkaar in hoog tempo op. Vorig jaar werd bijna ieder plan door de werkelijkheid in de kiem gesmoord, dus nu proberen we het ijzer te smeden voordat het uit onze handen gerukt wordt. Vergaderen, netwerken, teksten redigeren, lezing, avond voor nieuwe leden, jaarrekening, jaarverslag, ledenvergadering plannen, het houdt niet op. Wat wel ophield is het thuiswerken: we hebben de meeste kratten ingepakt zodat we op het depot verder kunnen. Een beetje onwennig was het nog wel, afgelopen week. Het depot gaat verbouwen dus we zitten verspreid door de ruimte en we moeten onszelf weer even op onze plaats schurken.

Omdat ik het roodbakkend aardewerk met witte slib en veelkleurige decoratie en sgrafito aan het plakken ben, uit de beerput aan de Waalkade – het materiaal dat ik steeds ‘Genneps’ noem – leek het me een goed idee om in Gennep weer eens bij Museum Het Petershuis te gaan kijken. Als je er nog nooit bent geweest: het is leuk en klein en een omweg waard. Nu ben ik een keramiek-freak dus naast het historisch aardewerk heb ik genoten van het moderne keramiek dat er verzameld is, grotendeels gemaakt door keramisten die jaarlijks de Keramisto bezoeken, een grote pottenbakkersmarkt te Milsbeek. Maar er is ook een historische tijdlijn van vondsten uit het gebied, en vooral is er het ‘Genneps’ aardewerk, dat ik eigenlijk ‘Rijnlands’ zou moeten noemen.

Nu zijn er in Gennep ooit (in 1988) de restanten van een 18e eeuwse pottenbakkerij gevonden, dus het aardewerk dat daar vandaan komt is ‘echt’ Genneps, zo was mijn redenatie. Ik ken de publicatie van Alexandra Mars hierover, die weliswaar uitgebreid is, maar zonder veel kleurenafbeeldingen. Mijn visueel ingestelde hoofd vraagt om meer beeld. Staande bij de vitrines realiseer ik me al snel dat ik voor wat er te zien is die conclusie niet kan trekken. Wat er staat wordt getypeerd als Rijnlands en niet als ‘gevonden in Gennep’ of ‘Genneps’. Een paar voorbeelden:

Op de bovenste etage vind ik een kleine bibliotheek. Daar valt mijn oog toevallig op een boekje over een Potthaus in Kervenheim, net achter Weeze, waarvan de restanten en het productieafval in 1980 zijn gevonden en gedocumenteerd. Terug thuis vind ik er meer over, onder andere op deze website van de Historische Verein für Geldern und Umgegend en op deze website over Nederrijns aardewerk. Hoe herkenbaar! Wat ze daar vonden kwam rechtstreeks uit de productie: stapels van vaak dezelfde borden, zodat ze onmiskenbaar ‘Kervenheims’ zijn. Vaak met een vogeldecoratie en een datering.

Overduidelijk behoort het allemaal tot de Rijnlandse traditie: als men om welke reden dan ook van vestigingsplaats wijzigde namen pottenbakkers de recepten, hun ervaring en ontwerpen mee naar een nieuwe plek. Vergelijk wat je ziet in Gennep met de vondsten uit Kervenheim: dit is echt ‘zoek de tien verschillen’. Zelfs de witte slibrand die mij als kenmerkend Genneps werd voorgehouden vind ik hier terug. Conclusie: als ik wil constateren of iets echt uit Gennep komt is moet ik dieper in de materie, als het al haalbaar is. Wordt vervolgd.

Tenslotte nog een aardigheidje. Gevonden in de stort bij de opgraving van het Romeinse grafveld. Wit en glimmend stak dit boven de zwarte aarde uit. En ik wist meteen wat het was. Zo’n ding had je vroeger vaak in handen. Maar nog leuker werd het toen ik het zwarte stof afwreef en er tekst tevoorschijn kwam: A. Trautig Installateur Tooropstraat 76 Nijmegen. Zo maakte een installatiebedrijf in het begin van de 20e eeuw reclame op de wc-trekker. Over de betreffende naam kan ik online terugvinden dat dit wellicht Arie Trautig betreft, die in 1950 in Nijmegen gestorven is. Over de familie Trautig staat ook nog een mooi stukje op Noviomagus.nl: lees het hier!

Foto van Noviomagus.nl

 Zie je nu wat ik aan het begin bedoelde? In het totaal van deze blog? In mijn hoofd is het zo druk als in een ongeleegde beerput. Er komt van alles bovendrijven en het gaat alle kanten op. Of is er method to my madness? Opeens zie ik een doorlopende lijn: van de Romeinen, via de Waalkade, de DIXI en installateur Trautig naar de man die onze actualiteit beheerst. Dan ligt een kopregel opeens zomaar voor de hand.

Keulse kloot

Twee keer. Zegge en schrijve twee keer konden we in het najaar op de traditionele woensdagavond terecht in onze werkruimte in het depot. Net voldoende om de laatste sorteeracties uit te voeren van ons thuiswerkproject ‘Waalkade’. Al het archeologisch interessante materiaal is nu gescheiden van het afval (grind en gruis). Met ingang van de een-na-laatste coronamaatregelen kon iedere groep thuis aan de slag met een specifieke materiaalsoort. Witbakkend, roodbakkend, industrieel wit, fayence, transferware: we zijn op het juiste punt beland om de volgende stap te zetten: puzzelen en plakken. In het depot staat een Waalkade Wisseltafel, zodat we foutief gesorteerde items kunnen afgeven voor andere groepen. Via de app houden we elkaar op de hoogte. Met ingang van de allerlaatste coronamaatregelen zijn uiteraard ook de groepen weer teruggebracht en blijven er bijna alleen individuele en duo-acties over. Toch blijft er voortgang. Op onze website is er meer over dit project terug te zien! 

In Groesbeek zijn we bezig met roodbakkend aardewerk. Een grote materiaalgroep. Zelf heb ik gekozen voor roodbakkend aardewerk met slibdecoratie, waarvan het merendeel waarschijnlijk afkomstig is uit Gennep. De naïeve decoraties spreken me aan, en lijken met veel liefde en vaardigheid te zijn gemaakt. Een paar voorbeelden laat ik jullie graag zien. Het afgelopen jaar is dit materiaal ook afgebeeld op het omslag van ons jaarverslag. Inmiddels is er van de betreffende schaal al wat meer dan alleen de toenmalige scherven!

 

Onlangs werd ik door een vriend uitgenodigd om een workshop decoreren te volgen bij Cor Unum, een bekende keramiekwerkplaats in Den Bosch. Een prachtige gelegenheid om eens te kijken of ik zo’n Genneps decor zou kunnen nabootsen. Weliswaar niet met slib, maar dan toch in ieder geval met glazuren. Het blijkt al een hele toer om – met behulp van een klein draaiplateau – een lijn langs de buitenrand van het bord te trekken. Verder probeer ik een spiraal, zoals je vaak ook bij slibdecors ziet, ik probeer te krassen om het sgrafito te oefenen. En als laatste probeer ik het spettereffekt na te bootsen. Naïef als de Gennepse decoraties mogen zijn: er is heel wat kunde en ervaring nodig om het goed aan te brengen. Ik had jullie graag het eindresultaat van mijn poging willen laten zien, maar het baksel moet nog opgehaald worden…je houdt het tegoed.

Een van onze nieuwe leden, Jon, die net als ik graag mudlarkt (rivierstrandjut), bracht zijn vondsten mee naar een thuiswerkmiddag. Gezamenlijk hebben we ze bekeken. Een overzicht en de aardigste vondsten, twee randen van Romeinse kruiken en een stukje van een geverfde waar drinkbekertje, – gewoon van het Waalstrand – wil ik jullie niet onthouden. 

Waar we niet uitkwamen is deze grijsbakkende scherf, zeer grof gemagerd, met een decoratieve band. Suggesties zijn welkom!

Een goed moment om de belofte aan een ander nieuw lid in te lossen. Op de schervenavond – ja, de echte – bracht zij een tas vol scherven mee die ze naar aanleiding van een van mijn blogs had gevonden in Oeffelt. Ik was verrast toen ik ze zag, ze leken in niets op de scherven die ik zelf had gevonden. Ook de vele omstanders hadden geen idee waar we naar keken. Enorme scherven, zwaar, grof, maar waarvan? Een grote pot, daar waren we het over eens, maar verder kwamen we eigenlijk niet. Harry van Enckevort leek uitkomst te bieden. Het zou mogelijk een 18e eeuwse of 19e eeuwse tuinvaas kunnen zijn. Dat leek niet zo’n gekke gedachte als je weet dat er ooit een drukbezochte herberg bij de vindplaats heeft gestaan.

Op verzoek van ons nieuwe lid had ik de scherven mee naar huis genomen om te zien of ik er iets van kon maken. Op de valreep van het jaar ga ik ze eerst maar eens wassen. Wat een grote klompen aardewerk! Sommige stukken lijken secundair verbrand te zijn. Terwijl de scherven drogen kan ik het niet laten alvast wat te puzzelen. Een paar bodemstukken bieden zich aan. Vreemd, een van de andere stukken past aan de bodem maar heeft ook een rand. Met een ronding naar boven.

Even denk ik aan een organisch gevormde bovenrand, maar opeens begint het te dagen. Helaas…niks Romeins, niks ouds, niks inheems. Google brengt uitkomst. We hebben te maken met een terracotta terrashaard van Zuid-Amerikaanse oorsprong. Ik vind exact dezelfde: voor 129,95 heeft de eigenaar die het afval dumpte een nieuwe!

Gelukkig hebben we de afgelopen maand weer mogen genieten van het echte werk. Opnieuw kwamen we in een extreme weerssituatie terecht: was het bij onze laatste opgraving soms boven de 40 graden, nu hadden we te maken met vorst. Gelukkig wist Joep ‘Icepick’ Hendriks de bovenlaag voor ons te prepareren.

De mooiste vondst wil ik jullie niet onthouden (ik deel het bericht dat de wethouder openbaar heeft gemaakt) een fantastische, puntgave, Romeinse ribkom. En er is meer graafwerk in het verschiet, een goed vooruitzicht!

 

Toen ik gister wat liep te schuimen op een veldje achter ons huis vond ik onderstaande grote jongen. De twee kleintjes – terracotta en glas – vond ik al eerder in dit veld, voor de verhouding heb ik ze toegevoegd. De blauwe leek me steengoed, met een kobalt glazuur, flink gebruikt, gesleten en met butsen. Mijn eerste gedachte: een knikker, maat stuiter of bonker: 33 mm.

Dat leverde een leuke online zoektocht op. Ja, er werden steengoed knikkers gemaakt. Soms gingen ze als vracht vanuit Duitsland mee op schepen, onder andere naar de VS, waar ze nu nog verzameld worden. Ik vind ze alleen met zoutglazuur, ik zie geen kobalt varianten. Dan kom ik een naam tegen:  mogelijk is dit een Keulse kloot. Dat is een bal voor kolfen of klootschieten. Er staat geen maat bij, dus lastig beoordelen. En wellicht onwaarschijnlijk dat het kolfspel hier in het achterste achterland werd gespeeld. Toch meer iets voor de notabelen? Ook het RCE deelt een foto van een ‘kleine gebakken Keulse kloot’. Weer geen maataanduiding. Ik kom een theorie tegen dat ze als kogel werden gebruikt. Omkleed met lood. Of als stop op Keulse kruiken. Onhandig lijkt me, maar wie zal het zeggen. In het Deventer systeem kan ik ze niet vinden, hoewel er exemplaren in Deventer gevonden zijn. Ik hoop op betere tijden, als we er weer samen over kunnen praten en we niet van het wereldwijde web afhankelijk zijn voor determinatie. 

In ieder geval weer iets geleerd. Ik had nog nooit van een Keulse kloot gehoord. Ik kende ooit wel een Tielse kloot. Ik moest er meteen aan denken toen ik die naam las. Mijn vader had een ver familielid die Jan Kloot heette. Toen zijn vrouw – in de vijftiger jaren – zwanger bleek van een drieling besloot hij zijn naam te veranderen – ik zal die om privacyredenen niet vermelden. Hij wilde zijn kinderen de naam Kloot niet aandoen. Voor zijn kinderen heeft het vast goed uitgepakt. Maar voor hemzelf veranderde er niets. Zelfs ik weet 70 jaar later zijn bijnaam nog: ‘Jan met de drie kloten’. Wat een tijdsbeeld.

Na al mijn terugblikken is het goed om ook wat krenten uit de pap van de toekomst te vissen: er is nog een opgraving in het verschiet, we kunnen nog vooruit met ons Waalkadeproject en hopelijk kunnen we spoedig weer met zijn allen bij elkaar komen, geboosterd en wel. Tot die tijd is er online van alles te zien en lezen: op onze Facebookpagina plaatsen Aad en anderen bijna dagelijks kijk- of leestips!

Ik wens jullie een goed nieuwjaar. Laten we hopen dat we snel van 3G naar 3O komen: ontmoeting, ontdekking, ontwikkeling. Tot dan!

 

Colonia Narbo Martius

Ik ben terug in Frankrijk. De regent tikt zachtjes op het schaduwdoek. Net als gister. Jammer? Valt mee. Vooral een mooie gelegenheid om het nieuwe museum Narbo Via te gaan bekijken in Narbonne. Na een blik op de website beslist de man (M) me te vergezellen. Samen op naar Narbonne dus.

Eerst maar even iets over Narbonne in de oudheid. Want Narbonne is niet zomaar een stad met een Romeins verleden. Het is de eerste Romeinse kolonie in Gallië. Ontstaan omdat de Griekse kolonie Massilia (Marseille) in 125 v. C. hulp van de Romeinse bondgenoten vroeg tegen een aantal Gallische volkeren. Twee generaals, Gnaeus Domitius Ahenobarbus en Quintus Fabius Maximus, onderwierpen binnen een paar jaar de Gallische volkeren van Zuid-Gallië tot aan de Pyreneeën. De Via Domitia, die in deze tijd ontstaat, gaat dwars door dit gebied de verbinding vormen tussen Italië en Spanje. Om hun positie te consolideren stichten de Romeinen in 118 v. C. met ongeveer 2000 mensen de Colonia Narbo Martius, strategisch gelegen aan de Middellandse zee en de Via Domitia. Zo kunnen de handelsroutes gecontroleerd worden, de natuurlijke bronnen in het achterland beheerd en land gedistribueerd aan Romeinse burgers.

Wil je hier iets meer over weten, kijk dan eens naar de prachtige Arte-documentaire waarmee ik afsluit, aanbevolen door Paul. Deze reportage maakt duidelijk dat Narbonne veel grootser en belangrijker was dan je wellicht zou verwachten: ‘Narbonne, das zweite Rom’. In deze documentaire ook aandacht voor het nieuwe museum en voor twee andere Romeinse musea in de regio. Ten eerste het Horreum (ondergrondse opslagruimten) in Narbonne, waar ik decennia geleden al eens met de kinderen ben geweest (herhaling staat gepland). En het uitstekende museum Amphoralis in Sallèles, dat ik in de zomer van 2019 in de blog Veng heb besproken.

Okay, maar dan nu het museum. Het pand ziet er van buiten strak uit. Typisch moderne Franse vormgeving: staal en steen, met een garrigue-achtige tuin eromheen van planten die ook zonder water vooruit kunnen. Wat op de foto hout leek, blijken betonnen muren te zijn die in aardetinten (van oker tot terracotta) zijn gespoten. De opbouw met een suggestie van lagen geeft het beton een warme uitstraling.

Ook de entree valt meteen op met een ‘Romeinse’ deur en een atrium. Na het scannen van de pass sanitaire, een alleraardigste ontvangst door twee dames die ook onze regenjassen in ontvangst nemen en het scannen van de entreekaarten lopen we meteen tegen een muur op. En wat voor een muur!

Overweldigend is het woord dat in me opkomt. In een groter dan grote stelling, langer dan ons hele Nijmeegse depot, zo schat ik, staat een uitstalling van Romeins bewerkt bouwmateriaal die in z’n eenvoud fantastisch is. ‘More is more’ in dit geval. Het past in de huidige museumtrend om materiaal in het depot toegankelijk te maken, en dit is dan de overtreffende trap. Op de wandelpromenade staan twee informatiezuilen met ieder twee interactieve beeldschermen. Hier kun je een bouwelement uit de muur uitkiezen en aanklikken, waarna er in drie talen informatie verschijnt. Ook is het betreffende element in 3D in beeld gebracht: je kunt het van alle kanten bekijken.

Vervolgens kun je zien van wat voor soort bouwwerk het deel uitmaakte en waar het dan zat in dat gebouw. Dat maakt het zoveel interessanter voor de kijker. Nog niet alle elementen zijn ingevoerd, maar het is een prima voorbeeld van hoe digitale informatie een tentoonstelling rijker en duidelijker kan maken. Geen gesleep met tablets, geen ingewikkelde menu’s, veel extra informatie en iedereen kan meekijken. Je ziet bij elkaar wat er kan.

En dat is het dan nog niet, wat die muur betreft. Als je verder kijkt dan wat je ziet (daar is M goed in) dan vallen er meer dingen op: vanaf het wandelniveau kun je op verschillende plekken afdalen naar het onderste niveau, zodat je de bouwblokken van dichtbij kunt bekijken. De trappen zijn opgebouwd als in een Romeins theater, dus er is langs de hele muur ruimte om even te gaan zitten en het in je op te nemen (en ja, er is een rolstoellift).

Intussen roept M me naar een blok marmer. ‘Kijk eens naar die P. Hoe prachtig. Zie je hoe de ronding aan de onderkant net niet aansluit op de stok?’ En bij een ander stuk:  ‘En hier, zie hoe mooi het is uitgevuld…’ Dit heeft de ontwerper van de muur ongetwijfeld bedacht. Een mega wow-moment als je binnenkomt, maar met alle mogelijkheden voor mini wow-momenten voor wie verder wil kijken. En dan gaan we meteen weer terug naar mega. Want opeens horen we een zacht mechanisch geluid. Er beweegt iets in de muur. Oh, en kijk, achter de voorste stelling is nog een tweede stelling. En ertussen zit een volautomatische, op afstand bestuurbare hefconstructie die de elementen kan ophalen, terugzetten en verplaatsen.

Een gebeuren op zich dat de aandacht van de bezoeker trekt.  En steeds als je in het museum komt zal de opstelling anders zijn en kun je andere elementen van dichtbij bekijken. Het geheel speelt in op de beleving, ook al zo’n sleutelwoord in eigentijds expositieland. Maar deze beleving is tegelijk ook functioneel en dat maakt het bijzonder.

Aan het eind van de promenade slaan we de hoek om naar de permanente opstelling. Hier gaan we van ‘more is more’ naar ‘less is more’. Eenvoudige uitleg. Deels digitaal, deels via muurborden, deels via de bordjes bij de voorwerpen. En ja, eerste puntje van kritiek, die kleine bordjes zitten helaas weer op deurkrukhoogte. Maar verder is het overzichtelijk, ruim, groots maar eenvoudig. M kijkt naar alle constructies die nodig zijn om enorme bouwelementen op hun plaats te houden. Ik kijk naar digitale projecties die op een simpele manier heel veel uitleg bieden. Over het landschap en de plaats van Narbonne daarin. Over een groot Romeins huis dat in Narbonne is gevonden, de indeling ervan en wat er binnen te zien was, van mozaïekvloer tot wandschildering, van voorouderbeelden tot persoonlijke verzorging.  De tentoonstelling van artefacten en de digitale uitleg erbij zijn goed in balans.

Een beeldscherm toont een recente opgraving. Een dijk langs de Romeinse bedding van de rivier de Aude blijkt vol te zitten met Romeins bouwmateriaal. De dijk is in de 4e of 5e eeuw ooit doorgebroken en de bewoners hebben alles wat op dat moment voorhanden was gebruikt om het gat te dichten. De opgraving van de dijk is van boven af gefotografeerd en de beelden zijn zo over elkaar gelegd dat je laag voor laag ziet wat er tevoorschijn komt. De bonus komt halverwege: er blijkt een compleet houten schip van 12 meter lang te zijn gebruikt om het gat te dichten. En ook het schip is weer vol bouwelementen. Het is prachtig om de opeenvolgende fasen van de opgraving zo helder te kunnen zien.

Er zijn veel highlights, maar het is vooral een solide en met zorg samengesteld verhaal. Het klopt. Inhoudelijk is het een mooi afgerond verhaal. En voor de vormgeving geldt hetzelfde. Alles past en vult elkaar aan. En de ruimtes zelf voelen ook lekker, realiseren we ons opeens. Het is niet te koud en niet te warm en er is duidelijk iets gedaan aan de akoestiek: tussen al die harde materialen is er toch geen galm te horen.

Als we terugkomen op de wandelpromenade zien we dat er gewerkt wordt aan een nieuwe expositie. Dit is waarschijnlijk de tijdelijke expositieruimte, waarvan op de website wordt gesproken. Een fijne aanleiding om hier snel nog eens terug te komen. En mijn sneak peek laat zien hoeveel mensen er nodig zijn om één kapiteel voorzichtig op z’n plaats te krijgen.


Op de terugweg lopen we nog even de stad in. Langs het aartsbisschoppelijk paleis en de Romeinse weg die deels zichtbaar is gemaakt. Geen verrassingen hier, maar lekker om er eens rond te lopen als het niet zo warm is.

En grappig om te zien dat het Romeinse verleden hier bijna onverschillig onderdeel uitmaakt van de omgeving. Hoe meer er is, hoe minder bijzonder het blijkbaar voelt. Hadden we dat gevoel in Nijmegen maar…

Nog even de links:
De website van het museum Narbo Via.
De documentaire: .

-+=
Google Translate
Top