De Waal

Vorige week informeerde Aad voorzichtig of er weer eens een blogje in zat. Nou moet ik eerlijk zeggen dat ik de afgelopen weken best druk ben geweest. Zelfs met de AWN. Niet met vergaderingen en werkavonden weliswaar, maar wel met overleg. Er was geen Afdelingsledenvergadering, maar de jaarrekening moest wel opgemaakt, en kloppen! Dan was er het Jaarverslag: Leo had alle geweldige bijdragen van onze leden geredigeerd, gerangschikt en aangeleverd. Ik had het weer uitgeleverd aan de Grafische afdeling van het ROC… en toen gingen de scholen dicht. Met enig kunst- en vliegwerk is het verslag dan toch tot stand gekomen. Lang leve onze digitale wereld: online overleg, online proeven, online correcties, online adressenbestand, online enveloppen bestellen, en zelfs de postzegels komen uit de postnl-webshop. Uiteraard ging het daarna niet meer ‘vanzelf’ en was het nog een dagje vouwen, insteken en plakken, maar aan de tuintafel in de zon kan je dan niet van afzien spreken. Om vier uur lag alles in de brievenbus. Dit is de situatie om kwart voor vier 😉

Om vier uur lag alles in de brievenbus
Maar dat ik nog geen blog schreef komt ook door andere zaken. Ik doe heel andere dingen dan normaal. Herken je dat? Vooral dingen waar je nooit aan toe kwam. Die meer tijd kosten dan even een half uurtje tussendoor. Of waar je meer tijd voor uittrekt. Ik heb mijn emailleeroven uit de schuur gehaald – na 29 jaar! Daarna een week aan het zoeken geweest naar de andere spullen die erbij horen. Alles gevonden op het meest essentiële onderdeel na, het poeder,  waarvan ik wist dat het er moest zijn. Gelukkig werden die week onze zonnepanelen aangelegd en moest de meterkast uitgeruimd. Op de bodem achteraan vond ik op de meest onwaarschijnlijke plek mijn emailleerpoeder. Het emailleren met zo’n oventje kost trouwens een belachelijke hoeveelheid stroom. In al die jaren dat ik er vroeger mee gewerkt heb, heb ik daar nooit een moment bij stilgestaan en toen ik nog thuis woonde heb ik mijn zuinige ouders er ook nooit over gehoord. Raar toch, hoe je perceptie van dingen verandert. Ik voelde – zoals dat tegenwoordig heet – emailleerschaamte. Maar ook daar bieden de zonnepanelen opeens uitkomst: met het weer van de afgelopen tijd is het opeens toch weer duurzaam – gelukkig!

Ik merk dat ik me graag laat afleiden door “guilty pleasures”. Heb jij dat ook? Ik ben gek op cijfers en heb zo ongeveer iedere corona-statistiek bekeken die er te zien valt. Kansloze pogingen om de fenomenen van een ongrijpbare wereld toch in een vakje te stoppen. Iedere woensdagochtend hang ik aan de lippen van Jaap als hij weer spreekt over clusters en waarschijnlijkheid en andere statistische gegevens die dan allemaal weer met elkaar gematcht worden. 

guilty pleasures..

Ook kijk ik heel guilty naar iets heel anders, ik vind het net opgraven in het klein: Dr. Pimple Popper. Een dermatologe die onder plaatselijke verdoving bulten opensnijdt om te zien wat zich daaronder bevindt: een cyste of een lipoom of nog iets anders – je weet het niet van te voren – en die ze vervolgens opgraaft. Alsof je in de Bemmelse klei voorzichtig een Romeins bekertje blootlegt. Je weet niet wat er gaat komen maar de verwachtingen zijn  hoog gespannen ;-).

Maar nu even serieus. We hebben als afdeling een ‘alleen lezen’-abonnement op het Deventer Systeem aangeschaft. Een van ons kan nu inloggen op dit systeem en zo zijn we niet meer afhankelijk van de goede wil van anderen. Zeker op de woensdagavonden zal dit een mooie aanvulling zijn op de papieren informatie die we hebben – en helemaal up-to-date. En dankzij de al eerder genoemde zonnepanelen – waar je een gratis tablet bij kreeg – kunnen we nu wellicht ook ter plekke bij de werktafels de digitale info bij de hand hebben. We gaan het uitproberen – zodra het kan.

Tot het zover is wil ik jullie nog een boek aanraden. Of misschien beter gezegd: een schrijver. Op de woensdagavonden gaat er heel wat keramiek door onze handen. En soms gaat het erover: is het nu porselein of aardewerk? En wat is het verschil…en hoe komen we er eigenlijk aan, aan dat porselein.  Voor een werkgroep die zich tot nu toe vooral met een veel verder verleden heeft beziggehouden, is een Romeinse scherf meer vertrouwd dan het porselein uit de Piersonstraat. Wie heeft het uitgevonden? En waarom is het eigenlijk uitgevonden? En waar?
Wil je het weten? Dan kan ik je het boek ‘De Witte Weg’ aanraden. Geschreven door een beroemde Engelse keramist. Hij maakt installaties met porseleinen objecten, heeft werk in onder ander het Victoria en Albert Museum in Londen, en ook een ‘way with words’. Het is een van mijn lievelingsschrijvers en in dit boek beschrijft hij zijn zoektocht naar de geschiedenis van het porselein. Zijn naam heb ik niet voor niets boven dit blog gezet. In de hoop dat je hem niet zou vergeten. Een man met een Nederlandse grootvader en met een Nederlandse naam: Edmund de Waal. Lees hem! En tot we elkaar weer zien: hou je taai!

Edmund de Waal

P.S. ‘The hare with amber eyes’, een van zijn andere boeken, een zoektocht naar zijn familiegeschiedenis, kan ik je ook aanbevelen.

Tweeling

Alweer het laatste blog van dit jaar. Een jaar dat voor onze werkgroep niet bol stond van archeologisch opgravingswerk. Slechts twee keer heb ik dit jaar in het veld gestaan. Bij Park Lingezegen hebben we een oude put leeg geschept: een put die eerder 19e eeuws dan 17e eeuws bleek. In Grave hebben we op uitnodiging van Jan Kusters een prachtige dag doorgebracht op het ‘geheime veld’. De avond ervoor stonden er nog aardappels, de dag erna zou er gras gezaaid worden. Generaal Jan stuurde alle troepen het veld in om zoveel mogelijk materiaal zeker te stellen. Want de komende jaren valt daar natuurlijk weinig te zoeken.

Landesaufnahme Velp bij Grave

 

 

 

 

 

Foto Ton van der Zanden. 
Vlnr Marijke, Aad, Pauline en Frans in Grave

Verder stond dit jaar voor mij vooral in het teken van het boek “Groesbeek Heights” dat we hebben vormgegeven op basis van teksten van Leo ten Hag en Willem Kuppens met uitbundig beeldmateriaal verzameld door Paul Klinkenberg. Een veelomvattend verslag van heel veel veldwerk: toen en nu! Van de oorlog in de praktijk. Een aanvulling ook op de verhalen van onze oudere buren en buurtbewoners. En als je zoals ik precies op de grens woont, dan hoor je van beide zijden wat de oorlog ‘onder de streep’ voor de gewone mens tot  gevolg heeft gehad.

Een heel andere kant krijg je te zien als je de tentoonstelling ‘Design van het Derde Rijk’ bezoekt in Den Bosch. Om te beginnen: een aanrader! Ik was er afgelopen dinsdag. Absoluut met heel veel respect en duiding gemaakt. En met heel veel voorzorgen om misbruik van het materiaal te voorkomen: je mag niet fotograferen en er is geen folder of boekje met uitleg. De film vooraf – die erg snel gaat, maar waarvan je de meeste onderdelen later nog terug ziet – en de gratis audifoon bieden in woord en geluid geweldige informatie.

Maar zoals ik zei: het is de andere kant van het verhaal. De opzet, de theorie, het concept, zoals dat van bovenaf is uitgedacht. De opzet van de tentoonstelling is veel ruimer dan je wellicht zou verwachten van het woord Design. In beeld en geluid maakt de expositie duidelijk hoe Hitler van het begin af bezig is geweest om op een zo simpel en eenduidig mogelijke manier zijn ideeën vorm te geven en te communiceren. Hoe hij in de vruchtbare bodem van het Duitsland na de Eerste Wereldoorlog voet aan de grond kreeg en dat in relatief korte tijd. Je ziet hoe over alles werd nagedacht, alles werd doordacht, werd ingedeeld, ingericht, overwogen en gepland binnen een groot concept. En ook hoe dit alles moest overkomen op het werkloze en arme volk dat de Eerste Wereldoorlog had verloren en weer trots moest worden op het eigen land en vertrouwen krijgen in hun leider.

In 2017 heb ik meegewerkt aan de vertaling (van Duits naar Engels) van de autobiografie van Heinz Siery, een keramisch ontwerper uit Baumbach. Door zijn woorden kon ik me al een voorstelling maken van wat de komst van het nationaalsocialisme voor gewone mensen betekende en hoe het zich in het dagelijkse leven binnen wurmde. In de expositie werd die voorstelling als het ware werkelijkheid.

Siery: “Meine Schulzeit begann 1933 pünktlich mit Adolf Hitler, der uns, wie weiland der liebe Gott, als ständiger Begleiter völlig vereinnahmte….Für uns Kinder war das eine faszinierende Zeit, denn auf einmal war alles ganz anders, vor allem aber bunter mit den vielen roten Fahnen, einem weißen runden Fleck und einem Kreuz mit Haken darin, die an besonderen Tagen aus dem Fenster gehängt werden mussten und zwar an jedem Haus. Und dann die braun uniformierten Männer, die wir ja vorher nur in den üblichen, für uns ganz normalen blauen Arbeitsanzügen kannten. Aber die Verwunderung wurde noch verstärkt, als einer unsere Lehrer nun auch noch in dieser Uniform zum Unterricht erschien und mit “HEIL HITLER“ grüßte statt mit GUTEN MORGEN.

Dat Hitler niet alleen in eigen land, maar ook over de grens zijn ideeën wist te verspreiden weet ik uit eigen familie. Mijn opa van moederskant, die uit Den Haag kwam, was een van een tweeling. Van jongs af aan kregen we mee dat hij ooit een tweelingbroer had gehad, die ‘fout’ was geweest in de oorlog en ergens in Duitse dienst was gesneuveld. Meer wisten we niet. En opa was invalide. Iedere dinsdagmiddag na school paste ik op hem als oma haar vrije middag had. Gelegenheid genoeg dus om iets te vragen, maar praten over vroeger kon hij toen al niet meer.

De tweeling in 1902

 

 

 

 

 

De tweeling in 1902:
Wim en Piet (rechts)

Met de komst van de vele online genealogische bronnen ben ik er achter gekomen dat opa’s tweelingbroer gestorven is op 1 oktober 1944 in Portogruaro in Italië. En onlangs kreeg ik een klein inkijkje in het verleden van de twee broers toen ik bij mijn tante Joop een oud fotoalbum uit Den Haag in handen kreeg. Eerst vond ik een intens romantische foto van de tweeling rond 1902 en daarna foto’s van de broers afzonderlijk. Ik kreeg het boek mee om de foto’s in te scannen, en toen vond ik achterin, samen in een envelop, twee brieven. Een brief van mijn opa Piet vanuit een lager voor Arbeitseinsatz-arbeiders in Eisenach…en een brief van zijn tweelingbroer Wim met de Duitse Feldpost, ergens vanuit Frankrijk. Twee brieven, twee werelden. En beide enveloppen geopend door de censuur.

Een brief van mijn opa PietOpa Piet

Opa, naïef, “malle Pietje” voor intimi, vertelt over zijn lange reis, hoe ze zijn aangekomen in Eisenach, hoeveel mensen uit verschillende landen er zijn: Bulgaren, Serven, Sloaken, Hongaren, Italianen, Polen en Russen. Het is de vooravond van zijn eerste werkdag en hij maakt zich er vooralsnog vooral druk over of hij wel een ‘waschvrouw’ zal kunnen vinden voor zijn goeie goed. Het is duidelijk dat hij geen flauw idee heeft van wat hem te wachten staat.

Een brief van WimWim, gemankeerd kunstschilder

Zijn broer Wim, gemankeerd kunstschilder, getrouwd met de Poolse Charlotte, staat heel anders in het leven. Hij schrijft in oktober 1943: ‘Je moet weten dat ik sedert enige maanden dienst heb genomen bij een marine-wachkommando. Ik voel het als mijn plicht ook mijn steentje bij te dragen om het Bolsjewisme uit Europa en dus ook uit ons land te houden.” En: “Met Februari kom ik met verlof en hoop ik je op te zoeken, tenminste als je die booze broer nog wilt kennen.” Bijzonder om zo lang na dato een glimp van hun verschillende levens te zien. Zeker is dat ze elkaar als gevolg van hun keuzes nooit meer gezien hebben.

Tot zover. Meer graven in mijn familieverleden, realiseer ik me, dan in onze bodem. Laten we hopen dat we volgend jaar weer meer fysiek aan de slag kunnen. Ik wens jullie in ieder geval goede dagen, met wat bezinning en niet al te veel eten, en alvast een Guten Rutsch in het nieuwe jaar.

En vergeet die expositie niet.

The magic word

Ik ben deze blog nog niet begonnen en heb al drie kopregels bedacht. Zoveel dingen waar ik wel wat over kwijt wil. Eerst was het ‘Marketing Garden’. Maar die had de Gelderlander al. De ongekende hoeveelheid Market Garden-gerelateerde activiteiten van de laatste tijd geeft te denken. De bedoeling is natuurlijk herdenken, maar weten we 75 jaar later eigenlijk wel of realiseren we ons de impact van wat er zich toen heeft afgespeeld? In een radioverslag over de landingen op de Ginkelse Heide hoor ik de verslaggever alleen maar praten over ‘spectaculair’ en de rit van de historische voertuigen naar het noorden is ‘fantastisch’.

Nou hoor ik je denken, maar wacht eens even, we hebben toch zelf ook meegedaan aan die hype en een boek uitgebracht? En dan is mijn antwoord: heb je het al gelezen? Voor de niet ingewijden: de publicatie ‘Groesbeek Heights’ is een uitgave van onze eigen AWN-afdeling, en wel van de Werkgroep Archeologie van de Tweede Wereldoorlog. Als er één boek in mijn optiek integer is en wars van opportunisme, dan is het dit wel. Jarenlang veldwerk gekoppeld aan minstens zo lang archiefonderzoek heeft een bijzondere kruisbestuiving opgeleverd. De verslagen van dag tot dag uit het veld, de war journals, kaarten en foto’s gekoppeld aan wat er nu nog in het landschap te vinden is: het brengt je heel dicht bij die paar dagen in september 1944 dat Gavin en zijn mannen in onze regio landden. Soms zelfs tot bij de schutters in hun putje, waar we zien wat zij zagen als ze over de rand keken…

Tijdens de herdenkingsweek hebben Marcel en ik de jaarlijkse lunch met onze vroegere buurvrouw Nelly (nu 87) en haar dochter Mariëtte. Nelly woonde tijdens de invasie op de Hogewaldseweg in Breedeweg, tegenover het Reichswald. Haar heldere geest en gevoel voor humor brengen je nog dichter bij de dingen van toen. Ze heeft er al vaak interviews over gegeven maar er komen altijd weer nieuwe details boven die we niet eerder gehoord hebben. Over de koeien die al bij de eerste bombardementen geraakt worden en dood in het land liggen. En dat bij terugkomst na de evacuatie alles weg is, behalve die koeien, die er – in vergaande staat van ontbinding – nog liggen. Dat wegslepen niet kan, want er zijn geen landbouwmachines en ze vallen uit elkaar. Maar dat ze wel weg moeten. Het land moet bewerkt, het is al zo laat in het seizoen…Overgieten met brandstof en aansteken dan maar. Spaarzaam met de brandstof, want ja,  alles is schaars. En dat je die verschrikkelijke lucht dan later nóg ruikt als er geploegd wordt op die plekken.

En ook dat ze vorig jaar nog, door de droogte, in het veld de sporen zag van de loopgraven die de Duitsers vanaf de rand van het Reichswald naar hun huis hadden gemaakt. Dat haar vader nog wel een jaar bezig was geweest om de loopgraven dicht te gooien (met slechte grond, vandaar de crop marks), slechts gewapend met een schop en kruiwagen. Dat er een tank door de grensafscheiding van gaas en prikkeldraad gereden was, en dat alle scherpe stukjes gaas en prikkeldraad uit het veld moesten worden gezocht om te voorkomen dat het later mens of dier zou verwonden. En dàt op een plek vol explosieven die in de zachte grond niet waren afgegaan: die dagelijkse angst om vader, en niet alleen in hun huishouden.

Als sterren van de hemelPagina 27 uit Norbert A. de Groot, Als sterren van de hemel, De Gooische Uitgeverij 1984, geannoteerd door Carl Paul zelf.

En we praten over Carl en Vera. Carl Paul, de veteraan van de 82e Airborne divisie, die iedere paar jaar tijdens de herdenkingen bij Nelly kwam logeren. Zijn vrouw Vera, Engelse, die tijdens een van zijn ‘leaves’ in Liverpool met hem trouwde. Ze kenden elkaar drie dagen. Carl was een harde, maakte alle luchtlandingen mee en zat in de staf van Gavin. Bijzondere man, die op zijn 96e nog naar de herdenkingen kwam en iedere ochtend van Nelly naar ons liep om even een praatje te maken terwijl ‘the women’ in huis bezig waren. Mariëtte merkt op dat Carl bewonderenswaardig was, maar dat Vera minstens zo bijzonder was. Een stadsmeisje uit Liverpool dat na de oorlog terechtkomt op een farm (lees: vergane blokhut) in Idaho op 30 mijl van de dichtstbijzijnde buren. Met een man met PTSS (het woord kenden ze nog niet, maar de stress was er niet minder om) die zijn woede afreageerde door het rotsachtige land met de hand te ontginnen. En met drie kinderen waarvan er twee op een vreselijke manier jong sterven. Hoe hou je je dan staande? Onder de afwas, als Mariëtte er naar vraagt, geeft Vera het antwoord. The magic word? Acceptance.

Accepteren lijkt makkelijker te worden als we in tijd of nabijheid verwijderd zijn van ons ‘onderwerp’. Maar als het zo nabij is, hoe kan je dan accepteren? Ik heb net – voor de tweede keer – het boek ‘The hare with amber eyes’ (De haas met amberkleurige ogen) van kunstenaar en pottenbakker Edmund de Waal gelezen. Hij schreef eerder over keramiek, maar dit boek gaat over zijn (joodse) familiegeschiedenis. Over accepteren gesproken…
Het boek raad ik je bijzonder aan, zeker als je van familiegeschiedenis houdt.

Met familiegeschiedenis – ook die van anderen – hou ik me graag bezig, omdat de kleine mens, de persoon, de voorouder, je dichter bij de grote geschiedenis brengt. Vorig jaar maakten mijn man en zwager samen een boekje over het leven van hun oom Alex Willems, die door oorlogsgeweld om het leven kwam. Afgelopen tijd heeft Willem Kuppens, mede-auteur van Groesbeek Heights, met zijn kennis van de militaire activiteiten in onze regio geholpen om uit te zoeken hoe dit heeft kunnen gebeuren. We zijn er nog niet uit.
Maar heeft het gevoel dat we het verleden moeten uitzoeken en vastleggen ook met acceptatie te maken? Wordt dat makkelijker als je weet hoe het gegaan is? De voorgaande generaties hebben het accepteren in ieder geval zonder die kennis moeten doen.

En wat het megalomane herdenken betreft: volgens mij moet het niet groter, groter maar kleiner, kleiner. Dan komen we veel dichter bij de angst, de woede en het verdriet van toen.  Als herdenken gedenken wordt.

 Alex Willems
Vandaag, 29 september 2019, is het precies 75 jaar geleden dat Alex Willems omkwam op de Waal te Winssen.

 

Veng

‘Binnenblijven en stilzitten’ luidt het advies van de overheid. Vandaag neem ik dat advies ter harte, want er moet een blog geschreven worden. De zinnen rommelen al weken door mijn hoofd, nu is er de tijd en de rust om er een samenhangend geheel van te maken. Tijdens mijn vakantie in Zuid-Frankrijk heb ik weer eens een bezoek gebracht aan Amphoralis, een leuk klein museum in Sallèles d’Aude (vlakbij Narbonne) dat mijn twee grootste passies verenigt: archeologie en keramiek. En een museum dat er nooit gekomen zou zijn zonder vrijwilligers in de archeologie!

Canal du Midi

 

De weg ernaartoe is al een plaatje, door kleine dorpen en langs het Canal du Midi, een in de 17e eeuw aangelegd kanaal dat Zuid-Frankrijk doorsnijdt en dat nu voornamelijk bevolkt wordt door bejaarde Britten in bedaagde bootjes. Het museum ligt bij een aftakking die het Canal verbindt met de rivier de Aude. Als je uitstapt voel en ruik en hoor je Frankrijk: de droge hete lucht, de geur van dennenhars en het niet aflatende geluid van de cigales.

De druiven staan letterlijk tussen de scherven

Dat er hier, onder de wijngaarden, iets in de grond moest zitten was al jaren bekend. Een oude foto laat zien wat de bevolking hier dagelijks zag: de druiven staan letterlijk tussen de scherven. Een echtpaar wijnboeren met een grote belangstelling voor archeologie wist in 1968 tijdens een kleine opgraving vast te stellen dat er een Gallo-Romeinse pottenbakkerij moest zijn. In 1976 werd vervolgens gestart met een volledige opgraving van de site. Het museum ontstond al tijdens de opgraving en toont het uiteindelijke resultaat.

Restanten Gallo-Romeinse pottenbakkerij

Op deze locatie stond een grootschalige, bijna industriële pottenbakkerij, waar voornamelijk twee producten in separate productielijnen werden vervaardigd: dakpannen en amforen voor de wijnhandel. Wijn werd hier al verbouwd toen eerst de Grieken en later de Romeinen het gebied ‘pacificeerden’. De kwaliteit werd zeer gewaardeerd en er kwam een grote export op gang, met name naar Rome, via de havens van Narbonne en Ostia. De wijn werd vervoerd in het daarvoor ideale vat: de Gauloise 4. Gewicht 10 kg., inhoud 30 liter. (Zie foto en vergelijk met de Lidl Saskia 0,5l) Een heel specifiek gevormde amfoor, die hier bij duizenden werd gemaakt. De pottenbakkerij had 10 draaiplekken en, in de loop van drie eeuwen, 14 ovens. Men gaat ervan uit dat er zeker 100 tot 200 mensen bij de productie betrokken waren, ieder met een vergaand gespecialiseerde taak.

Grootschalige, bijna industriële pottenbakkerij

De plek is ideaal, omdat het aan alle voorwaarden voordoet, zowel qua grondstoffen als qua locatie: de juiste klei, bronnen voor schoon water en bossen vol hout om de ovens te stoken. Bovendien midden tussen de wijnproducenten, met een waterweg naar de belangrijkste stad in dit gebied: Narbo Martius (Narbonne) en van daar naar de rest van de wereld. Niet alleen vond hier de productie plaats: de grote pottenbakkersgemeenschap leefde ook hier, vlak naast de productieplaats. Het museum is aangelegd als een soort insect met twee vleugels over de opgraving heen, zodat het hele terrein te overzien is. In het ‘lijf’ geeft een prachtige maquette een duidelijk beeld. Ook van de verschillende producten zijn mooie voorbeelden te zien.

Klein ommuurd grafveldje Klein ommuurd grafveldjeKlein ommuurd grafveldje

Heel bijzonder, en deze keer met meer aandacht van mij door de vondst van Marijke en Frans in Bemmel, is een klein ommuurd grafveldje vlakbij het werkgedeelte van de site. Het gaat om 14 inhumaties van voldragen baby’s tussen o en 8 maanden. De grafjes zijn afgedekt met een dakpan en vervolgens opgehoogd. Men heeft geen verklaring voor de locatie van deze graven, zo dicht bij de werkplek. Er zijn geen andere graven op het terrein gevonden. In een van de grafjes bevond zich op de buik van de baby een fibula, waaraan nog het restant van een doek is aangetroffen. Slechts een graf had wanden van dakpannen en grafgiften: dat van de oudste baby van circa 8 maanden. De begeleidende info stelt dat wellicht vanaf een half jaar een baby als een ‘volwaardig’ mens werd beschouwd en dus ook deze giften nodig had. Typisch een vondst die meer vragen oproept dan ze beantwoordt. Waarom? blijft door mijn hoofd zingen.

Sinds mijn vorige bezoek is er veel bezienswaardigs toegevoegd: vlakbij de pottenbakkerij zijn restanten aangetroffen van een aquaduct dat van Cabezac naar Narbonne heeft gelopen om aan de waterbehoefte van deze grote stad te voldoen. Inmiddels is er zo’n 8 km van de totale 20 km teruggevonden. Ter plekke van het museum is het aquaduct in zeer goede conditie. Tijdens de bouw (eind 1e eeuw) zijn er scherven van potten en dakpannen gebruikt, wat aangeeft dat de pottenbakkerij er eerder was dan het aquaduct. Verder op het terrein is een van de verblijfsruimten van de pottenbakkers gereconstrueerd en is een Romeinse tuin aangelegd.

Een Romeins olielampje in elkaar knutselen

In een van de bijgebouwen kun je zelf een Romeins olielampje in elkaar knutselen. Ik kan het niet laten om me tussen de schoolkinderen te begeven. De les wordt geleid door een zeer strenge pottenbakmevrouw maar dat heeft wel tot resultaat dat zelfs het jongste kind – en ook ik – met een prachtig lampje naar huis gaat. Tussendoor kijk ik gefascineerd naar de assistente, een mooi opgeschilderd meisje van een jaar of 16 dat dit vakantiebaantje duidelijk verkeerd heeft ingeschat. Het is hilarisch om te zien hoe ze met overduidelijke tegenzin haar vingers in de kliederige klei zet. Haar enorme kunstnagels, om en om gelakt met knalgele metallic en glitter nagellak, zijn beslist niet voorzien op deze taak.

Die avond zie ik op de regionale TV-zender van Occitanië een reportage over de gevolgen van de canicule (hittegolf) op de wijnbouw. Want wijn wordt er in dit gebied nog steeds in grote mate verbouwd. Jarenlang was dat – door pesticiden verpeste en in mega hoeveelheden geproduceerde – goedkope plok, maar door de concurrentie uit verre buitenlanden is men gaan inzien dat het ook hier anders moet. De boeren proberen nu meer voor kwaliteit en eigenheid te gaan en de kwaliteit van de wijn gaat langzaam maar zeker weer omhoog. De reportage gaat over de wijngaarden in de regio. Door de enorme hitte (recent 43 graden) verschroeien de wijnbladeren tot pulver en verdampt het vocht uit de druiven. De beelden tonen troosteloze wijnranken die helemaal bruin zijn geworden. Toch zijn er ook hier weer mensen die er iets op vinden. Een boer heeft boven alle rijen wijnranken op circa tweeënhalve meter hoogte zonnepanelen laten aanbrengen. Die profiteren de hele dag van de zon en zijn zo gepositioneerd dat de wijnranken op het heetst van de dag gedurende twee uur in de schaduw staan. Mooi hoe er altijd weer iemand een slimme oplossing vindt.

Boven alle rijen wijnranken op circa tweeënhalve meter hoogte zonnepanelen

Inmiddels zijn we alweer thuis, aan het afkicken van de pain en de vin. Of zoals ze het daar in het plaatselijke Occitaans zeggen: peng en veng. En al schrijvend heb ik me opeens gerealiseerd dat we het eigenlijk zelf ook allemaal hebben, al is het op kleinere schaal: de wijnbouw, de Holdeurn, het aquaduct.
En zelfs de hitte….

Kiek!

De laatste tijd ben ik even meer bezig geweest met cijfers dan met letters. Uit de reacties daarop maak ik altijd op dat de meesten onder ons daar een enorme hekel aan hebben en er niets in zien. Je snapt al, dat heb ik dus juist niet. Ik kan heel veel voldoening halen uit en het mooie inzien van een balans die in balans is en van een opstelling waarbij alles tot op de laatste cent klopt. Het liefst zou ik dan bij het bespreken van de cijfers in de ledenvergadering steeds roepen: Mooi, hè? Mooi, hè? Maar ik denk dat ik dan voor gek versleten word.

Voorafgaand aan de ledenvergadering had ik nog snel een doos magazines opgehaald bij Martine van Romeinen.nu. Ik kende haar al van ‘Nijmegen Graaft’ maar onlangs maakten we hernieuwd kennis toen ik Mirjam verving bij het Romeinennetwerk. Zo wist ik Martine die Romeinenmagazines te ontfutselen en kunnen we allemaal lezen wat er in het hele land in de komende Romeinenweek te doen is. En dat is nogal wat. Naast de informatie hierover kregen we bij de bijeenkomst van het Romeinennetwerk een uitleg over twee belangrijke activiteiten die met ons Romeins verleden te maken hebben.

Zo is de overheid bezig om de Romeinse Limes in Nederland (en een stuk van Duitsland), kortom het Nedergermaanse deel, op de Werelderfgoedlijst van de Unesco te krijgen. De uitleg maakt duidelijk dat dat niet ‘effe’ gaat en dat er jaren van voorbereiding aan vooraf gaan. Centraal in het nominatiedossier en managementplan staat een aantal locaties rond de Limes waarover het beste verhaal te vertellen is. Dat is niet altijd de locatie waar het meest of belangrijkste is teruggevonden, het gaat er vooral om dat je plekken aandraagt waar je de betekenis van de Limes als het ware tot leven hebt gewekt. Naast cijfers en letters gaat het er om dat je een beeld kunt oproepen. Op de site limeswerelderfgoed.nl kun je meer lezen over de plannen en de planning.

De tweede lezing gaat over Holland Marketing. We hebben allemaal gehoord over de toeristen die onze grote steden overspoelen en de Chinezen die Giethoorn zo’n beetje in hun greep houden. Het plan is nu om Nederland te gaan marketen als HollandCity. De afstanden in ons land zijn zo klein dat het geen probleem is voor toeristen om het hele land door te reizen. Maar je moet ze natuurlijk wel ergens mee lokken. Een van de pijlers hiervoor is het ontwikkelen van verhaallijnen. Interessante verhalen/concepten waarmee je de toerist het land in lokt. Er zijn negen landelijke verhaallijnen, waarbij aan iedere provincie is gedacht. Het is vervolgens aan de provincies en steden zelf om in te haken op deze verhaallijnen om zo de aandacht op de eigen omgeving te vestigen.

Klik voor meer info!

Zo ook in Gelderland. Er zijn drie landelijke verhaallijnen die hier van belang zijn, maar voor de Romeinen is in deze lijnen geen plaats. Daar wil de provincie iets aan doen door een eigen verhaallijn rond het Romeinse verleden te creëren. Tijdens de bijeenkomst brainstormen we op verzoek over aansprekende locaties, informatie die van belang kan zijn en over mogelijke input voor een verhaal. We hebben het dan (in goed Nederlands) over storytelling: een verhaal dat meer is dan cijfers en letters, meer dan beeld, maar vooral gaat over beleving en emotie. Mensen in het hart raken door de herkenning van ervaringen en emoties, dat is de rode draad. Dat je de bezoekers iets meegeeft over de Romeinen dat ze zich hun hele leven zullen herinneren. Technieken uit de marketing dus veelal, die wellicht af en toe wat kort door de bocht zullen zijn, maar waarmee je wel heel veel mensen op een inspirerende manier kunt aanspreken.

Ook de manier waarop hieraan gewerkt wordt vind ik heel inspirerend. Nieuwe wegen zoeken om oude verhalen te vertellen. Daar kunnen we bij ons Project Pierson ook zeker iets aan hebben. Want dat is toch eigenlijk precies waar we met ons project naar toe willen? Dat verleden tot leven roepen? Dat jij die huisvrouw bent die in haar vervallen keuken haar mooiste Regoutkommetje heeft laten vallen. Of de jongen die de knikkers van zijn buurjongen in de put gooit. Of de trotse notaris die hier in de 17e eeuw een huis-op-stand laat bouwen.

haar mooiste Regoutkommetje

Soms raakt het verhaal even uit beeld als we ons weer naar onze tsunami van wit aardewerk begeven en we onze avond vullen met zoeken naar dat ene randje dat het schaaltje compleet maakt of die ene scherf die meer blauwwit is dan geelwit. Straks komt het allemaal bij elkaar en dan kunnen we mensen een mooi beeld en een prachtige indruk geven van het leven enkele honderden jaren geleden.

Zo’n beeld dat iconisch is en je je altijd zult herinneren. Want kennen brengt herkennen en niets is zo mooi als de herkenning. Dat kan van alles zijn. Het keukenservies van je moeder op een rommelmarkt, het juiste scherfje in een zee van wit of de emotie van een Romeinse veteraan die zich mag gaan vestigen.

Meisje met de parel

Of zoals het schilderij van het ‘Meisje met de parel’ van Vermeer dat ik onlangs als reproductie zag in een winkel in Nijmegen. Voor mij liep een wat oudere man met zijn vrouw. Toen hij het schilderij zag verscheen om zijn mond direct een glimlach van herkenning. Ik zie hem spontaan zijn vrouw op de schouder tikken en hoor vervolgens in goed Nimweegs: ‘Kiek Mies, de Mona Lisa!’

Luizenmoeder

Afgelopen week is de expositie in Grave ontmanteld. Woensdag om 10 uur precies openden Jan en Albert uit Gennep de stoet ‘ophalers’. Jan heeft nog een prachtig verhaal over zijn noppenroemer (waarmee hij overigens onlangs nog de krant haalde, met vermelding van de expo in Grave). Nadat hij in 1986 de scherven heeft gevonden, durft hij wel de meer eenvoudige glazen in elkaar te lijmen, maar aarzelt hij om aan de roemer te beginnen. Het lijkt hem beter om er eerst mee naar een deskundige te gaan.
Zo komt hij terecht bij Frides Lameris en zijn dochter Kitty. Kitty is net afgestudeerd op roemers en vader Frides wil zijn dochter testen. Op een van de scherven staat de datum van de roemer gegraveerd. Deze scherf haalt hij tussen de andere uit en houdt hem achter. Vervolgens legt hij de overige scherven aan zijn dochter voor. Kitty dateert de roemer tussen 1646 en 1648. Daarna haalt vader de ontbrekende scherf tevoorschijn: 1647. Dochter geslaagd! Jan laat de eerder door hem geplakte glazen zien: en ook hij is geslaagd: ze vinden dat hij de noppenroemer op dezelfde manier kan plakken. Zo gezegd en iets minder snel gedaan: zeker één van de blikvangers op onze tentoonstelling.

John Jansen komt het materiaal van Oss, Ravenstein en Deest ophalen. Mergor in Mosam haalt het prachtige Romeinse schoeisel. De conditie is goed gebleven tijdens de expositie, maar de schoenen gaan nu eerst weer een aantal maanden in het water, om vervolgens opnieuw geconserveerd te worden. Dan kunnen ze weer tien jaar mee. Cor Nijenhuis verzamelt de spullen uit Huissen. Het prachtige kinderlaarsje wordt in een speciaal kistje geschroefd voor transport. Ook Martien maakt zijn vitrine leeg en het lijk (uit Escharen) gaat weer in de kast.

Woensdagavond kunnen we veel materiaal meteen weer in de werkruimte en in het depot terugbrengen. Ben heeft het materiaal meegenomen dat retour moet gaat naar het Valkhofmuseum, Museum Kasteel Wijchen en de Wim Tuijn-collectie. Met Bas en Aad vervoer ik de spullen van Kelfkensbos en Pierson. Kees zoekt plaats in het depot. Mooi op tijd, want de Pierson-groep is bijna klaar met de inventarisatieronde!

Donderdag wordt de WW2-vitrine ontruimd. Roeland neemt het vitrinebordje mee als herinnering. Het bureautje ‘van Wim’ dat ik vlak voor de expositie bij de kringloop had gekocht gaat mee terug naar huis. Ik vond het al leuk maar het heeft een extra dimensie nu het een tijdje de spullen van Wim heeft gehuisvest. Aad en Marcel brengen het ‘WW2-roest’ terug naar Bureau Archeologie. Ook alle foto’s, posters en borden krijgen daar een plaats. Zo kunnen we het hergebruiken: als wanddecoratie in onze werkruimte en als informatie wanneer we ergens een kraam of infostand hebben.

Archeologie van de

Als laatste halen Marijke en ik de letters van de wanden… en dan herinnert niets meer aan onze activiteiten in het Graafs Museum. Over een paar weken opent de nieuwe expositie: van het gilde in Grave. Gaat dat zien!
Na gedane zaken filosoferen we bij koffie en appeltaart (van Ben) alweer over een nieuwe expositie, over vijf jaar. Want ja, die zijn zó om.

Mijn blog is trouwens ook alweer bijna om. Terwijl ik nog wel wilde schrijven over de uitleg die Peter van de Broeke bij ons hield over prehistorisch aardewerk en de kenmerken daarvan. Ik had een deja vu-ervaring toen Peter ons na afloop een grote hoeveelheid scherven liet zien en daarbij een aantal opdrachten gaf. Wim Tuijn kon je ook zo verwachtingsvol aankijken als hij iets had uitgelegd en hoopte dat je het goede antwoord zou geven. Peter heeft diezelfde blik. Ik hoop dat hij nog vaak terugkomt. Na zo lang bezig te zijn geweest met middeleeuws- en nieuwe tijd-materiaal is het fijn om weer eens die grove brokken in handen te hebben.

prehistorisch aardewerk

Peter vertelde dat het zeer aannemelijk is dat dit aardewerk door vrouwen werd gemaakt. Best logisch eigenlijk: zij waren het die kookten, die precies wisten wat ze nodig hadden, en die voor de bereiding van eten toch al met vuur in de weer waren.

Ik kan me er alles bij voorstellen hoe moeders die vaardigheden op hun dochters overbrachten. ‘Kom Imma, goed kneden, alle lucht moet uit de klei.’ ‘Ja, maar mam, ik wil met Idis spelen.’ ’Eerst dat potje afmaken, en dan mag je weg. En blijf met die kleihanden uit je haren.’ ’Ja, maar mam, ik heb jeuk.’ ’Dat krijg je ervan als je met Idis speelt. Ik haal de kam en dan maken we eerst vlechten voor je gaat. En dat potje maak je ook af.’
En dat je dan als luizenmoeder eerst een uur bezig bent om die verrekte beesten uit je dochters klitten te halen. En dat die er dan natuurlijk gauw tussenuit knijpt voordat ze haar potje heeft afgemaakt. En dat je dan als moeder denkt, weet je wat, die kam erin en toedeledoki. En dan krijg je dit…

 luizenkamgevonden bij een dassenburcht

Nou ja, mijn fantasie gaat met me op de loop. De getoonde luizenkam is trouwens Romeins en komt uit de Maas bij Cuijk (via Mergor in Mosam op onze expositie). De getoonde scherven zijn wel prehistorisch (ijzertijd) en recentelijk door Rob de Loos gevonden bij een dassenburcht. Eruit geworpen door vader das bij het graven van een riant aanleunhol voor zijn schoonmoeder…sorry.
Deze vondst zal overigens nog beschreven worden.

Onder Ons

‘Ga je nog een blog schrijven?’, vraagt Aad, voorzichtig, woensdagavond. ‘Ik heb twee halfgare blogs liggen, Aad, maar ja, druk, druk, druk!’ Eerder die avond heb ik overlegd met de WW2-archeologen over hun nieuwe boek en met Ben over het afbreken van de tentoonstelling. Geprobeerd het aantal overgebleven jubileumboeken vast te stellen in verband met de jaarrekening en Fred gevraagd naar de contactpersoon van de museumwinkel van het Valkhof. Nu Maria van Gelder weg is willen ze daar misschien ons boek alsnog verkopen. Gelukkig nog tijd om een paar Piersondozen van twee weken terug van de juiste foto te voorzien. Maar te weinig ‘input’ – toepasselijk woord – om er een blog aan te wijden.

Ik moet denken aan mijn vader. Hij was mijn hele jeugd penningmeester van de lokale hengelsportvereniging. Hoe anders was dat in een tijd dat ‘digitaal’ nog niet bestond. En dat met bijna 2000 leden! De vereniging had ‘bodes’ die de ‘convocaties’ rond brachten voor vergaderingen. Zij brachten ook de lidmaatschapskaarten bij de leden om de contributie te ‘beuren’. Pa rekende met hen af en alle overgebleven kaarten stonden bij ons thuis in het kantoor.

Het kantoor was een kamertje naast de voordeur. Mijn vader deed daar de administratie van zijn bedrijf en van de visclub, mijn moeder typte er facturen en naaide er onze kleren. Het zachtboard plafond toonde een voortdurend wisselende landkaart van bruine vlekken, want het bad lekte blijkbaar nooit genoeg om mijn vader tot reparatie aan te zetten. In het kantoor kwam ook het clubbestuur bijeen, en de kascommissie, en hier haalden de leden hun lidmaatschapskaarten op als ze de bode gemist hadden.

Dan ging er geen maaltijd voorbij zonder dat iemand z’n kaart kwam afhalen. Als de bel ging keken we elkaar aan: wie heeft er zo dadelijk koud eten? Meestal mijn zus of ik, want pa stond nooit op. Zo was de visclub onderdeel van ons leven. Op zondag gingen we vaak naar boeren in de omgeving. De vereniging pachtte van hen viswater voor de leden en pa’s taak was het om dat handje contantje af te rekenen. De bezoeken bij boer Biesters in Dreumel waren heel apart en ben ik nooit vergeten. Wie schetste mijn verbazing toen er twee jaar geleden een boek over hem en zijn familie verscheen onder de titel “Ongemakkelijke mensen”. Die sfeer, dat vreemde: hun kleindochter Elly Biesters wist het als geen ander te beschrijven. Lezen!

Pa ging graag vissen, liefst in het IJsselmeer. Dan reed hij er de avond van te voren heen, sliep in de auto (onze gouden koets, een stationcar waar precies een matras in paste) en stond bij het ochtendgloren aan het water. Even een dagje ertussenuit om te ontspannen. Even zo ontspannen ging ik dinsdag in Amersfoort plakken met Rianet en vergat spontaan de vergadering van het Romeinennetwerk waar ik Mirjam zou vervangen. Dat was pa toch nooit gebeurd! Ik schaam me wel een beetje. Ik ben nog niet zo één met de functie als hij.

Al doende gaat de tijd snel. Deze week gaan we onze mooie tentoonstelling alweer afbreken. Afgelopen week nog een laatste keer – met de familie – naar Grave. Ook de volgende generatie is erbij. Bij hen is ‘mijn club’ geen onderdeel van hun leven, maar de belangstelling voor het verleden wel. Bij de doos met Piersonscherven die ik openmaak roepen ze spontaan dat ze dat ook wel zouden willen puzzelen. Maar een blik op de foto van onze groep ‘er zijn alleen maar oude mensen’ tempert het enthousiasme.

Weer denk ik aan de club van pa, die als naam droeg: Onder Ons. Want onder ons, hoe gezellig ook, is misschien wel het probleem van onze club. Teveel onder elkaar en te weinig nieuwe neuzen. Geen activiteiten voor de jeugd of voor jong volwassenen. Daar moeten we toch nog eens over brainstormen en kijken hoe we dat actiever kunnen veranderen. Op zoek naar nieuwe neuzen, vers bloed, aspiranten. Belangrijk voor de toekomst van de club. Weer een schone taak erbij!

toen je natuurlijk nog ging vissen met colbert en stropdas...

Net na de oorlog: toen je natuurlijk nog ging vissen met colbert en stropdas…

Bitterzoet

Afgelopen week de eerste bespreking voor een nieuw boek van de werkgroep Archeologie van de Tweede Wereldoorlog. Het duurt nog even voor het verschijnt, maar het is al leuk om ermee bezig te zijn. Vooral discussies over de titel houden de gemoederen altijd bezig. Die moet natuurlijk pakkend zijn, en begrijpelijk, de lading dekken en origineel zijn. Ga er maar aanstaan. De archeologie van WO2 spreekt trouwens enorm aan, ook op de expositie in Grave. Zet een schoolklas kinderen bij de ingang en de vitrine met de parachute van camouflagestof is net een magneet. Gaaf en cool vinden ze ‘t. Ze beseffen wel dat echte oorlog geen videogame is, maar net zo min als wij – die er niet bij waren – kunnen ze zich een voorstelling maken van de verschrikkingen van die tijd. De WO2-archeologie kan dat ook niet, maar helpt ons wel bij het vaststellen van de omstandigheden en plaatst ze in de ruimte van nu.

19e eeuws industrieel aardewerk 19e eeuws industrieel aardewerk

Terug in het depot heb ik nog een uurtje om een Pierson-doos uit te pakken. Ik stuit op 19e eeuws industrieel aardewerk. Prachtige plaatjes uit verre streken versieren de schaaltjes, kopjes en borden. Voor de arme bewoners van de Zwanengas moet het bijzonder zijn geweest om dit soort aardewerk en porselein in huis te kunnen hebben.

een keuken uit Vlaardingen

Als je de omstandigheden van die tijd ziet (zie deze foto van een keuken uit Vlaardingen) moet dit aardewerk met ‘zoete’ plaatjes toch een beetje vreugde in ’t leven hebben gebracht.

Sphinx-merkSphinx-merk   Sphinx-merk

Met behulp van het boekje ‘Maastrichtse ceramiek’ van A. Polling dateer ik een kommetje. Ik leer dat we te maken hebben met beeldmerk 70, het eerste Sphinx-merk. Dit beeldmerk was er in diverse versies en werd gebruikt vanaf 1883. Het leuke is dat deze variant een turf-datering heeft. Links van het beeldmerk zie je een 8 en vervolgens 9 turfjes. Ik tel uit dat het kommetje in 1889 vervaardigd is.

Het materiaal werd gedecoreerd met transfer prints. Dit Youtube filmpje laat zien hoe dat in z’n werk gaat. Alle handelingen worden geïsoleerd en gestandaardiseerd. Zo heb je geen bijzondere skills nodig om in het arbeidsproces te worden ingezet. Zelfs de jongste kinderen worden door fabrieken als die van Petrus Regout aan het werk gezet om de productie te optimaliseren. Werknemers: mannen, vrouwen en kinderen werden uitgeknepen, vaak gedwongen tot nachtwerk en hun persoonlijke leven werd tot nul gereduceerd. Eenmaal in de ‘greep’ van Regout was het moeilijk daaruit te ontsnappen. De zoete plaatjes verhullen zo een heel wat minder rooskleurige herkomst.

ons koloniaal verleden

Soms zijn de plaatjes zelf ook minder zoet en kijk je er wat ongemakkelijk naar. Zoals deze afbeelding die herinneringen oproept aan ons koloniaal verleden. Ik weet niet precies wat ik zie, maar ik krijg er toch een akelig gevoel bij. Van wat toen wel kon en nu echt niet meer. Zo’n gevoel als bij de Pietendiscussie. Die mijd ik het liefst. En ik ben denk ik niet de enige. Van mij mag Piet alle kleuren van de regenboog hebben, voor het feest en voor kinderen maakt dat toch niets uit. Maar onze geschiedenis verander je er niet meer mee. Door de discussie herinnert iedere pepernoot nu aan dat ongemakkelijke verleden. En juist dat is volgens mij de oorzaak van de verharding van de discussie: we willen er liever niet aan herinnerd worden, hoe terecht dat ook is.

En zo zijn onze vondsten vaak bitterzoet. Of het nu een pepernoot is, Regout-aardewerk of een, ja, of een condoom. Op onze expositie liggen in de WO2-vitrine door de legerleiding verstrekte en in de verpakking teruggevonden condooms. Zo leuk en bijzonder dat we die hebben. Maar laatst herinnerde iemand mij eraan hoe jammer dat eigenlijk is voor de parachutist van wie ze geweest zijn. Want als hij het pakje had opengemaakt om te gebruiken, hadden wij de inhoud nooit meer teruggezien!

Enfin. Wie vanavond thuis pakjes gaat openen, wens ik veel plezier. En wie dat in het depot gaat doen wens ik dat evenzo. Maar ja, voor ons is iedere woensdagavond pakjesavond.

Ieder huisje

Afgelopen weken in Grave drie rondleidingen verzorgd bij onze expositie. Een voor de vrijwilligers van het museum en een voor leerlingen van een lokale basisschool. Zoals altijd ligt hun focus bij de vondsten, de objecten, en gaan de vragen daarover. Als ik bij de volwassenen uitleg dat het ons vooral om de sporen gaat, de context, om de omstandigheden, omdat we daarvan veel meer leren, blijkt dat een openbaring. Zo zie je maar: wat voor ons vanzelfsprekend is mag je bij een ander niet als bekend verwachten.

Dus toen RN7, de streekradio, met een last minute verzoek kwam voor een interview – dat deze zondag voor niemand handig uitkwam – besloot ik opnieuw een kruistocht te ondernemen tegen de gedachte dat we als gouddelvers in het wilde Westen te hooi en te gras de schop in de grond steken. Dat ene potje vinden is leuk, maar komt het uit een grafveld of een nederzetting? Is het huishoudelijk of ritueel gebruikt? Alleen de context kan het uitwijzen. Het wordt een beetje een lang verhaal, maar ik hoop het maar weer eens te hebben uitgelegd.

Wat de rondleidingen voor kinderen betreft ben ik ben onder de indruk van de liefde en aandacht waarmee Martien Koolen en zijn mede-vrijwilligers in Grave uitleg geven over de archeologie en de historie van hun stad en de omgeving. Zo creëer je mensen die trots zijn op de plek waar ze wonen. Voor mij is het lang geleden dat ik voor de klas stond en zeker voor zulke jonge leerlingen. Ik heb heel wat geleerd van Martien’s uitleg van ‘oud’ bij een vuurstenen object: hoe schrijf je tien? Een 1 en een 0. En honderd? Een 1 en twee nullen. En duizend? En een miljoen? Precies! Een 1 met 6 nullen! Dus dat is heel lang geleden….en deze vuursteen is nog meer dan 1 miljoen jaar oud. Een goede poging om ‘heel oud’ uit te leggen. Dat had ik moeten horen voordat ik probeer uit te leggen dat iets ‘van rond het begin van de jaartelling’ is. Ik denk achteraf niet dat ze dat begrepen hebben.

 armpje uit de Piersonstraat

Nu we het toch over het begin van de jaartelling hebben: afgelopen woensdag kwam uit een blije doos van de Piersonstraat dit armpje tevoorschijn. Overduidelijk van een gekruisigde Christus. Ik moest meteen denken aan een anekdote die een leraar van mijn communicatieopleiding ooit gebruikte om het concept ‘out of the box-denken’ uit te leggen. Een spijkerfabriek geeft een reclamebureau opdracht een advertentie te bedenken voor hun spijkers. Bij de presentatie krijgt de fabrieksdirecteur een afbeelding van christus aan het kruis voorgeschoteld. Met daaronder de tekst: “Dankzij de spijkers van Van Leeuwen hangt Jezus hier al eeuwen”. De man blijkt niet gecharmeerd van het concept en geeft aan dat hij toch liever geen reclame willen maken met Jezus aan het kruis. Waarop het bureau een week later terugkeert met een nieuwe presentatie. Het kruis is nu leeg. Daaronder staat de tekst: “Jezus is van het kruis gepleurd. Met spijkers van Van Leeuwen was dit nooit gebeurd”.

Twee rattige delen van porseleinen poppen

Ik denk niet dat het daarna nog wat geworden is met die relatie. Dat dacht ik trouwens ook meteen toen ik in dezelfde doos de twee bovenstaande kopjes tegenkwam. Twee rattige delen van porseleinen poppen. Zo heerlijk om daar een verhaal bij te bedenken. Dat kan nu allemaal nog, dat fantaseren: de feiten moeten nog komen. Maar hier hebben ongetwijfeld twee zusjes gewoond. De een heeft de pop van de ander kapot gemaakt, al dan niet per ongeluk. En toen heeft de andere kattenkop natuurlijk de pop van die ene op de haardstenen laten stuiteren. Lekker puh! Zo heeft ook in de Piersonstraat ieder huisje zijn kruisje. Ik ben benieuwd of we ooit zullen vaststellen of het huis waarbij de beerput hoorde aan twee zusjes onderdak bood…

In Grave is trouwens ook een mooi verhaal verbonden aan huisjes en hun kruisjes…maar dat moet je maar aan Martien vragen 😉

Bennekom

Het is af! De expositie staat. Gister heeft Ben de laatste objecten in de vitrines geplaatst. Vanmorgen eerst samen met Leo een journalist van De Gelderlander te woord gestaan. Met veel interesse hoorde hij aan welke verschillende aspecten er aan vrijwilligersarcheologie zitten. Hij gaf aan dat er in de editie Nijmegen een stukje komt en wellicht nog iets met een foto in de editie Maasland, die in Grave uitkomt.

Nadat Leo en de journalist vertrokken zijn gaan Marcel en ik de puntjes op de i zetten. De snijtekst op de muren, de laatste aangepaste vitrinekaartjes op hun plaats. Toch nog wat dingen verplaatsen en vragen beantwoorden van de bezoekers van de operacursus die iedere donderdagochtend in het belendende zaaltje wordt gegeven. We worden regelmatig begeleid door vocaal vuurwerk, want de lezing is overduidelijk voorzien van geluidsvoorbeelden (nee, geen lichtbeelden of kroketten in de pauze).

Als we eindelijk tevreden zijn besluiten we in het stadscentrum wat te gaan eten om het te vieren (nee, weer geen kroketten). We sjouwen een flinke voorraad jubileumboeken naar binnen (ja, ze zijn zwaar) en op het moment dat we de Hampoort verlaten loopt er net een echtpaar op VUT-leeftijd naar binnen. We kijken elkaar aan en hebben dezelfde gedachte: onze eerste klanten! We scharrelen kriskras door de achterafstraatjes richting Elisabethkerk. Ik dacht dat het zo simpel was maar eindig bij de huizen met kruisen op het dak…wat vertelde Martien daar ook weer over?

Moe en nu ook voldaan lopen we anderhalf uur later weer terug. Ik wil nog even een foto maken. ‘De eerste bezoekers zijn niet weg te slaan’, zegt Martien als we binnenkomen. En inderdaad: de mensen die bij ons vertrek naar binnen liepen zijn nog steeds aan het lezen en kijken. Ik vraag of ik een foto mag maken waar ze op staan. Zo raken we in gesprek. De ene vraag na de andere krijg ik op me afgevuurd. Wat leuk dat deze mensen het zo interessant vinden. Het meest bijzondere vinden ze toch een groepje objecten uit de WOII vitrine. Ik verraad niet wat er ligt, maar ik vond het zelf ook apart.

Moet je daar een diploma voor hebben?

De mevrouw vraagt of ze ook zelf mee zou kunnen plakken, want dat heeft haar altijd zo leuk geleken. ‘Moet je daar een diploma voor hebben?’, vraagt ze. Ik vertel uitgebreid over het Pierson project en ze vindt het meteen leuk. Terwijl ik een foldertje pak met het www-adres van de AWN, vraag ik in welke plaats ze woont. ‘Bennekom’, is het antwoord. Ben ik in al m’n enthousiasme een lid aan het werven voor Afdeling 14…en nog een leuk lid ook! En daar hebben ze geen Pierson, ben ik bang.