Pauline’s Blog

 

Pauline de Weijer

 

Wil je reageren op een van mijn blogs? Dat kan door de betreffende titel aan te klikken. Eerdere blogs zijn terug te lezen in het archief rechtsonder, selecteer maand en jaar.

 

Zen in Oeffelt

Toen ik ruim 20 jaar geleden lid werd van de AWN, kwam de afdeling op woensdagavond bijeen op een zolder in Nijmegen, boven wat nu Shabu Shabu is. Het was een flinke klim en met het bestijgen van de trappen werd de geur van het verleden intenser. Via een lange smalle gang tussen stapels stoffige bruine archiefdozen door bereikte je de ruimte met de tafel. De tafel die nog steeds ‘onze’ tafel is. Hoe blij was ik die eerste keer – uitgenodigd door Peter Vissers – dat er tussen al die mannen ook een vrouw aan tafel zat. Die vrouw was Anneke van Bergen. Deze week kregen we bericht dat Anneke is overleden.

Ingetogen is het woord dat in mij opkomt als ik aan haar denk. In haar manier van praten, haar belevering van archeologie, haar ontwerpen: alles wat nodig is, en niets teveel. Ze voelde als een mentor toen ik pas bij de club was. Bereid om haar kennis te delen. Geduldig. Ze gaf vertrouwen. We hadden dingen gemeen naast de archeologie: metaal, textiel…de belangstelling voor (toegepaste) kunst. Ze had een zachte stem, zocht nooit de voorgrond, maar ze had een o zo scherpe blik voor alles wat mooi was en ‘klopte’. Toen ik na een periode van perikelen en afwezigheid weer terugkwam op de woensdagavonden – nu in het depot – was Anneke er niet zo vaak. Haar gezondheidsproblemen werden groter en het reizen moeilijker. Ze belde me nog een keer voor een lastige zakelijke kwestie, ik was blij dat ik haar kon helpen, maar we zagen elkaar daarna een hele tijd niet meer.
Nog een paar keer kwam ze terug op woensdagavond. We waren al even bezig met het Valkhofproject. Maar het was duidelijk dat ze haar draai niet kon vinden in die grote groep met de vele nieuwe gezichten. Toen ze weg was, de laatste keer, vroeg iemand me: ‘Wie was die oude mevrouw die hier vanavond was?’ Ik moest even schakelen voor ik wist wie ze bedoelde. Ze was zo veel meer. Peter heeft het prachtig verwoord in zijn IM. RIP Anneke, je was een mooi mens en dat blijf je voor altijd.

Ik heb het blog even laten rusten na dit begin. Hoe ga je verder? Maar opeens wist ik het. Anneke was als vrouw een wegbereider in de vrijwilligersarcheologie. Het was in die tijd toch vooral een mannending. Ik realiseer me dat dat langzaam maar zeker begint te veranderen. Kijk maar eens rond op onze werkgroepavonden.  Onlangs hebben we in een bestuursvergadering afgesproken dat we al onze nieuwe leden zouden bellen om ze welkom te heten, eens te kijken waarom ze lid geworden zijn en wat ze van ons verwachten. Wat bleek bij het samenstellen van de bellijst? Van de (vele) nieuwe leden is ruim een derde vrouw. In het kader van de privacy kan ik niets vertellen over de gesprekken die ik heb gevoerd. Maar de nieuwe vrouwelijke leden variëren van heel jong, bezig met een studie Klassieke Cultuur tot gepensioneerd, en van professioneel archeoloog tot vrouwen die ‘eindelijk’ eens iets met archeologie willen doen. We hebben leuke en enthousiaste gesprekken gevoerd, en ik kan niet wachten tot we hen, en alle nieuwe mannen evenzeer, eens in het echt kunnen uitnodigen. Want dat gaan we zeker doen als het zover is…een speciale avond om kennis te maken.

Met een onwillige voet ben ik een maand aan huis gekluisterd geweest. Ik wilde eigenlijk schrijven over wat ik die tijd heb uitgevoerd, maar ja, als je dan weer mag lopen is die maand gauw vergeten en wil je eruit. Ter opvrolijking van mijn thuisblijven had ik het boek Mudlarking gekocht, geschreven door Lara Maiklem. Mudlarking betekent zoiets als rivierstrandjutten. En dat is wat Lara doet. Ik volg haar al een tijdje op Twitter en dat is de moeite waard. En zo ook haar boek. Lara mudlarkt langs de Thames. Omdat de Thames een getijderivier is, komt bij eb een deel van de bedding vrij te liggen en is het strandjutten daar, mede door de vele vondsten, een gewilde bezigheid. Mudlarking is niets nieuws: in de 18e en 19e eeuw werd er – met name door kinderen en bejaarden uit de allerarmste lagen van de bevolking – al gezocht naar (bij de overslag overboord gevallen) steenkool, hout, etenswaren en alles wat maar geld opbracht. Bijna alle transport ging via de Thames, dus er viel en valt heel wat te halen. Daar moet je overigens tegenwoordig wel een vergunning voor hebben. In het boek zakken we met Lara letterlijk de Thames af, het staat vol feitelijke info, afgewisseld met mooie anecdotes. Zoals het feit dat sommige mudlarkvondsten in de 19e eeuw zo gewild werden, dat de mudlarkers ze zelf gingen namaken. Daar ontstonden hele huisindustrieën omheen. En tegenwoordig zijn de nagemaakte vondsten weer gewilder en kostbaarder dan de originelen. Enfin, een aanrader, dat boek!

Maar goed, je snapt het al, toen wilde ik natuurlijk ook mudlarken. Ik zou de Maas weleens onveilig maken. Geen laag water natuurlijk, deze tijd van het jaar, maar dromen kan altijd. Aan de overkant van de Maas (in mijn geval is dat bij Gennep de brug over) kun je wat makkelijker bij de rivier komen, dus ik besloot de oversteek te wagen. Langs het Veerhuis van Oeffelt – waar de Coffee To Go zorgt voor ongemakkelijk rondhangende wandelaars en fietsers, die stuk voor stuk uitstralen dat een stoel niet veel meer besmettingsgevaar zou opleveren – rijd ik langs de Maas naar het Noorden. Al snel wordt de rust die ik zocht verstoord door machines. Wat is hier loos? Ik zet de auto in het stof en loop verder. Er wordt gegraven! Nou ga je als vrouw alleen – sorry, Anneke – niet zo snel zo’n terrein op om eens te vragen wat ze aan het doen zijn. Dus ik maak een omtrekkende beweging. Ik loop eerst eens langs de oever van de Maas. Niks te mudlarken natuurlijk. Na een tijdje kom ik bij een zandweg. Hierachter blijkt een ander terrein te liggen. Beschermde natuur. Water en vogels. Precies tegenover het Genneper Huis, waarvoor op een hoogst onduidelijke plaquette aandacht wordt gevraagd. Wat wel duidelijk wordt is dat hier eerder al veel grond afgegraven is: bomen staan op een soort eilandjes, daartussen grote stukken waar water staat. De vogels – en de vogelaars – voelen zich hier thuis.

Ik begin te vermoeden dat het gedeelte dat nu afgegraven wordt eenzelfde stuk ‘natuur’ zal opleveren. Langs de zandweg liggen wat bergen aarde, het ziet eruit alsof hier de toplaag naar toe is geschoven. Uit zo’n berg steekt een randje. Toch even kijken, natuurlijk. Goh, ik ken die randjes. Het lijkt wel Genneps. Witte ongeglazuurde engobe over roodbakkend aardewerk. Niet zo gek natuurlijk, Gennep is aan de overkant. Ik kijk verder. Een stukje flessenglas, een scherf Westerwald, een steel van een drinkglas. Een stukje sgraffito aardewerk. Ik vraag me af of hier ooit stadsafval is gedumpt? Intussen speur ik natuurlijk verder. Een flinter transferprint. Veel aardewerk met loodglazuur, een pijpensteel. Wow, ben ik opeens aan het mudlarken op het droge. Helemaal zen ga ik op in het peuteren in de bergen aarde.

Eenmaal thuis duik ik meteen het web op. Waarom wordt hier gegraven? Het blijkt te gaan om kleiwinning tot op 1.80 meter, waarbij de ontgronding moet leiden tot een natuurgebied, De Meerkampen. Een deel van de ontgronding is archeologisch begeleid, omdat men een aantal zaken wil vaststellen: Is hier nog iets terug te vinden van de belegering van het Genneper Huis in de Tachtigjarige oorlog? Zijn er resten te vinden van een 18e eeuwse herberg die hier gestaan moet hebben? En zijn er mogelijk archeologische niveaus op grotere diepte, die hier bedreigd zouden worden?

Ik zoem meteen in op het woord herberg. Op de kaartjes (zie het rapport) ontdek ik dat die precies moet zijn geweest waar ik heb gelopen. Het rapport zegt hierover: “Deze herberg staat wel op de kaart uit 1731 afgebeeld, maar is op de kadasterkaart uit 1832 niet meer aanwezig. De aanwezigheid van het bouwpuin zal het gevolg zijn van het slopen van deze herberg, waarover verder geen informatie beschikbaar is. De vondsten kunnen aan de bewoning gelieerd worden. De afvalkuilen zullen na sloop zijn aangelegd, waarbij mogelijk het resterende sloopafval verspreid is geraakt. Het is niet bekend wanneer dit heeft plaatsgevonden, maar het moet voor 1832 geweest zijn. Van de herberg zelf zijn geen concrete sporen of uitbraaksleuven aangetroffen. Vermoedelijk heeft deze meer in de richting van de Maas gelegen.”

Hendrik Sorgh, rokende en drinkende boeren in een herberg (17e eeuw).

Geen stadsafval dus, maar een herberg aan de Maas. Aanwezig in 1731, maar afgebroken voor 1832, dat is aardig in overeenstemming met de vondsten uit de bergen aarde die ik heb gedaan. Weer wat wijzer geworden. En onbewust heb ik een hele herberg bij elkaar gesprokkeld: bouwmateriaal, kookgerei, borden en schotels, flessen en glazen, pijpen, kannen en kommen, en zelfs wat beenderresten. Hineininterpretieren? Wellicht! Maar het mooiste? Een heerlijke ochtend, helemaal zen, in de meest coronaproof herberg van Nederland.

 

 

Pittig

Ver van het stadse gewoel en met een wazig voorjaarszonnetje door het raam is er – zonder dringende werkzaamheden of een elftal thuis te scholen kinderen – zelfs in lockdown met avondklok nog wel een gradatie van geestelijke rust te vinden. Gisteren een enorme wandeling gemaakt langs oude wallen en heggen, naar aanleiding van een aantal oude kaarten die ik door Paul Klinkenberg toegestuurd kreeg. Geweldig om te zien dat elementen in het landschap die in de 17e eeuw al op de kaart stonden, nu nog te localiseren zijn. 

Soms zie je dat elementen uit verschillende eeuwen door elkaar lopen. De oude grenswal werd in de Tweede Wereldoorlog gebruikt om extra beschutting te geven in de loopgraven die er direct achter werden gemaakt. Ik had er eigenlijk een blogje over willen schrijven, maar mijn foto’s geven een slecht beeld van de situatie, dus dat houden jullie tegoed. Eén foto wil ik jullie niet onthouden: het lijkt bijna of je in een Japanse tuin loopt, maar het zijn de restanten van een Duitse bunker in het Reichswald. Een mooi symbool misschien dat hoe erg de onrusten ook zijn, ze ooit weer tot rust weerkeren.

Een ander rustgevend werkje dit weekend: het glas dat we afgelopen weken vonden tijdens ons thuiswerkproject Waalkade heb ik eens nader bekeken. Het gaat om glas uit vondstnummer 152. Met daarbij een prachtig stukje van een (16e eeuwse?) berkemeier met doornnoppen. Ook een stel losse noppen heb ik teruggevonden. De bijgaande afbeelding komt uit “Glas zonder glans”. Frans dacht dat dit ook wel een koolstronkvoet wordt genoemd. Een blik in de moestuin van mijn achterbuurvrouw laat zien dat dit wel heel aannemelijk is. Aangezien het glas een bruine (van espresso tot koffie verkeerd) verkleuring heeft, en je het dus snel over het hoofd ziet, heb ik het afval van 152 nog eens extra doorgelicht. Toch nog een paar mini-stukjes gevonden. 

Daarnaast kwam ik nog heel wat kleine pitjes tegen. Dus ook de pittenpot maar eens omgegooid. Ik verbaas me over de enorme verscheidenheid. Sommige pitten zijn direct herkenbaar, bij andere laat mijn botanische kennis mij in de steek. Dus bij dezen….raden maar. Geen geluid op de band, zoals bij Kees Schilperoord. (Of ‘Kees Schil’ zoals Gerard Cox placht te zeggen: ‘….kun je nagaan hoe snel wij thuis de radio uitzetten als hij erop was.’) Maar pitten op een rij.

Klik aan voor uitvergroten

Ik heb de pitten (en of zaden) genummerd van 1 tot 18. Misschien zijn sommige varianten alleen maar een jonge en een volwassen versie van dezelfde vrucht, maar ik dat zag ik er dan niet aan af. Je kunt klikken op de foto om hem groter te bekijken. Inzendingen welkom als reactie op dit bericht! En een kilo verse kersen of pruimen of druiven uit onze tuin (afhankelijk van wanneer we elkaar weer mogen zien) voor de winnaar. Hoe we die winnaar gaan bepalen weet ik niet, maar anders eten we het fruit wel gezamenlijk op als we weer bij elkaar mogen komen. Veel plezier met deze pittige fruitmand in coronatijden, blijf gezond en ik blijf het toch maar zeggen: tot spoedig!

Thuis

‘There is no place like home’ dacht ik afgelopen vrijdag, toen ik me realiseerde dat het Black Friday was. Als ik de beelden mag geloven dacht niet iedereen daar hetzelfde over, maar dat terzijde. Ik had vrijdag een van die zeldzame geluksmomenten, als je ergens mee bezig bent en opeens dat gevoel krijgt van ja, kijk, dit is nou wat ik altijd gewild heb.

Ik zit aan mijn eigen tafel, zonder enige afleiding, met voor me een opengevouwen krant, een rol tape, een tube UHU en een stapel gewassen scherven. Ik knip de tape in stukjes, een voorraadje langs de rand van de tafel. Niet scheuren, hoor ik Arjen den Braven zeggen, dat is slordig. Ik sorteer de scherven. Ze komen uit een speciale krat. Ik noem het de premiumkrat. Die heeft Kees afgelopen woensdag afgeleverd in het kader van ons thuiswerkproject. Er zitten zakken in met scherven die tijdens de opgraving aan de Waalkade al een beetje zijn voorgesorteerd: ze bevatten scherven die bij elkaar horen. Iedere thuiswerklocatie heeft zo’n krat gekregen. Op deze Black Friday is dit mijn speciale aanbieding: een van die zakken wil ik eens nader bekijken. Ik heb de inhoud gisteravond nog een keer extra gewassen en alles is mooi droog.

De ‘premiumkrat’ 😉

Ik begin met een stel witbakkende scherven met groen en geel glazuur. Die waren me al eerder opgevallen. Het wordt, volgens ‘Amsterdam ceramics’ een ‘chafing dish’. Een warmhoudplaat? Hier moet ik nog eens verder induiken. Wat is dat dan precies? Een andere groep opvallende scherven is heel delicaat. Ook witbakkend. Geen glazuur van buiten maar een korrelig lichtgeel van binnen. Een zalfpotje. Een stel zwartgeblakerde scherven trekt mijn aandacht. Wat een rommeltje. Als ik later een bruine voorraadpot probeer samen te stellen blijkt de helft van de scherven bij de zwartgeblakerde pot te horen. Is het slechts een voorraadpot of heeft het toch iets met koken te maken? De boeken brengen geen uitkomst, we komen er vast nog wel eens achter. Aan het einde van de dag zijn de scherven ‘op’ en heb ik vier archeologisch complete objecten. Mooi. En nu? Ik wil ze eigenlijk wel aan jullie laten zien.

Een mail van Jan van Daalen brengt me op een idee. De afgelopen jaren zijn we met een klein groepje enkele keren naar het Noorden van het land afgereisd, o.a. naar Friesland waar Jan oorspronkelijk vandaan komt. Al twee keer zijn we dan ook in Groningen naar het atelier en de woning van Henk Helmantel geweest, de fijnschilder. Een prachtige omgeving (zie bijgaande foto’s die nog eens extra worden opgefleurd door Ben en Aad). Zijn stillevens zijn om stil van te worden.

Ik denk aan de laatste keer dat we er waren: dat was nog eens extra bijzonder. Terwijl we op het terras zaten raakten we met de schilder in gesprek en ging het over archeologie. Ben gaf aan dat hij conservator is in Wijchen en dat hij vooral de schilderijen met oud glas zeer mooi vond. Toen we later nog eens rondkeken – de groep was wat verspreid geraakt – riep Helmantel Ben (en enkele anderen uit groep) naar binnen om naar zijn Romeins glas en andere archeologische vondsten te komen kijken. Ik vertel dit uit tweede hand, helaas, helaas, ik was afgedwaald naar de kerk en heb dit alles gemist. Eén ding voor als de pandemie voorbij is: ga er eens kijken, het is een droom.

Om terug te keren naar mijn inspiratie: vanochtend besloot ik een foto te maken in de stijl van Helmantel. De grote meester haal ik natuurlijk nooit, maar het is een mooie aanleiding om er iets van proberen te maken. Maar ja, hoe laat je alles rechtop staan. Ik plunder de keuken. Een grote suikerbus in de voorraadpot, een kleine pot in de andere. De zalfpot en groene schaal blijven gelukkig uit zichzelf staan. Ik zoek een klein bankje. Dan nog een oud gordijn erachter en het begint erop te lijken. Op het niveau van meezingen onder de douche dan. En ik noem het: Hommage aan Kees!

Wat fijn als je zo heerlijk thuis kunt klungelen. Met mooie herinneringen aan momenten samen en mooie vooruitzichten op wat zich nog zal aandienen, in kratten of anderszins. Ik wens jullie allemaal ook veel gemoedsrust en goede momenten. En maar blijven volhouden….

Identiteit

In de afgelopen week hebben we als leden van de AWN via onze onvolprezen secretaris Leo ten Hag een uitnodiging gekregen voor het bijwonen van de digitale ledenvergadering. Een van de onderwerpen op de agenda is een nieuw logo, een nieuwe huisstijl, een nieuwe naam. Als afdelingsbestuur waren we al eerder op de hoogte gebracht van het voornemen tot deze nieuwe stijl. Door de Corona-crisis loopt alles wat langzamer dan normaal, maar nu komt het dus blijkbaar ongewijzigd voor alle leden in stemming.

Afgelopen week kwam het gesprek tijdens ons thuiswerkproject op het logo. Tot mijn verrassing en vreugde kwamen de twee aanwezige leden met exact dezelfde gevoelens en dezelfde opmerkingen over het logo die ikzelf ook heb. Opmerkingen die ik ook al tijdens een vergadering van het afdelingsbestuur had gemaakt over de ontwerpen.

Inmiddels hebben alle leden naast een uitnodiging voor de digitale vergadering ook een stembiljet ontvangen voor het logo, de huisstijl en de nieuwe naam. En daar wil ik toch even je aandacht voor vragen. Uiteraard is het aan iedereen om te vinden van een logo wat hij of zij wil. Maar waar het mij vooral om gaat is dat het ons vertegenwoordigt, en dat wij graag serieus genomen willen worden. En daar zit mijn probleem, en ik wil zo graag dat jullie daar ook over nadenken en op basis daarvan een antwoord geven aan het hoofdbestuur.

Dit is de mail die ik heb gestuurd aan de landelijk secretaris:

Geachte secretaris, landelijk bestuur,
Een goed logo sluit aan bij de identiteit van de organisatie waarvoor het wordt gemaakt. Ik neem aan dat u als bestuur goed heeft nagedacht over wat die identiteit is, wat de kernwaarden zijn, en dat u deze kernwaarden ook heeft gebriefd aan de vormgever. Het is aan de vormgever om deze te vertalen naar beeld. Hoe beter de briefing, hoe meer kans op een goed logo.

Aangezien u niet aangeeft wat de briefing aan de vormgever is geweest, is het moeilijk om te beoordelen in hoeverre hij of zij geslaagd is in de opzet. Wat ik zie, voldoet in mijn ogen niet aan datgene waar de AWN in deze tijd voor staat. Een eigentijdse, inhoudelijk gerichte organisatie voor volwassen jongeren en ouderen, die zich bezighoudt met alle facetten van archeologie: van opgraven tot educatie, van beschrijven tot publieksvoorlichting, van zelfstandig onderzoek tot publicaties.

Bij het ontstaan van de organisatie was wellicht een spade met een aardewerk kruik een relevant beeld. Maar ik geloof toch heus dat we inmiddels een grote stap verder hebben gemaakt. Waarom dan toch kiezen voor dit beeld? In z’n oude vorm gaf het nog een vertederende knipoog naar vroeger, maar dit kleurboekplaatje (een van onze leden omschreef het als iets uit Flipje van de Betuwe) is in mijn ogen noch modern, noch relevant, noch passend bij onze kernwaarden.

Het totaal van beeldmerk, woordbeeld en lettertype van de tekst is weinig samenhangend en op z’n minst druk te noemen. Ook hier mis ik de relevantie bij wie we zijn en waar we voor staan als organisatie. Zo langzamerhand weet eenieder wel wat archeologie is, hebben we daar eigenlijk nog wel een beeldmerk bij nodig? Volstaat een woordbeeld daar niet? In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister.

Ook het ontwerp van de folder is druk en schreeuwerig. De in archeologie geïnteresseerde gaat voor inhoud, niet voor een schreeuwerige vorm. Een schijnbaar jongere beeldtaal haalt niet meer jonge mensen binnen. Integendeel: het zal eerder mensen afschrikken die zich afvragen of dit hen wel de inhoud biedt waarnaar men zoekt.

De naamsverandering kan ik begrijpen. Werkgemeenschap is wellicht niet meer van deze tijd en kan verwarrend overkomen. Maar waarom dan niet gekozen voor een naam die dichter bij de afkorting komt:
Archeologie Vereniging Nederland. Dan zijn in ieder geval twee letters van de afkorting AWN snel verklaard. En in essentie is het vergelijkbaar met de door u voorgestelde namen.

Tot zover mijn reactie op uw voorstellen. U ziet dat ik niet praat over mooi of lelijk. Dat is niet relevant. U begrijpt dat ik een en ander te kort vind schieten in kwaliteit en communicatief vermogen voor onze organisatie.
Met vriendelijke groet,

Pauline de Weijer
Actief lid en penningmeester AWN afdeling 16, Nijmegen en omstreken.

Tot zover mijn brief. Beste afdelingsleden, ik hoop dat jullie ook wat aandacht willen geven aan dit onderwerp. Je mag er van vinden wat je wilt, daar gaat het mij niet om. Maar we gaan dit wel voor minstens 10 jaar zien! Dus denk er nog eens over en laat je gedachten aan het hoofdbestuur weten:
secretaris@awn-nederland.nl

Sans contact

Vreemd dat ik nu pas, nu ik een aantal van jullie alweer heb gesproken, jullie ook weer met een blog onder ogen – of beter gezegd onder woorden – durf te komen. Niet dat ik er de afgelopen tijd niet mee bezig ben geweest: blog-intro’s kwamen, maar gingen ook weer. En een vervolg kwam er nooit. Na Leo’s mooie blog van een paar weken geleden begon het toch ook weer te kriebelen. We zullen eens kijken hoever ik kom.

Met het bestuur hebben we, ook in Coronatijd, verschillende keren vergaderd: eenmaal schriftelijk, eenmaal deels thuis, deels via skype en zowaar de laatste keer samen, op afstand. We hebben plannen gemaakt, problemen geprobeerd op te lossen, veel afspraken gemaakt en weer verzet, zalen geprobeerd te huren en weer afgezegd. En net toen we dachten: die ALV gaat er echt komen, incl. schervenavond, kwamen de nieuwe maatregelen. En toen werd het opeens weer lastig. Kortom: weer uitstel. Het is niet anders.

Bijzonder landschap in de brons- en ijzertijd

In augustus konden we in Bergharen aan de slag, onder leiding van Johan van Kampen. Op zoek naar meer inzicht in de inrichting van dit bijzondere landschap in de brons- en ijzertijd. Het leek me een vredig plekje toen en dat was het voor ons, vrijwilligers, ook nu. Ondanks de hitte, het zand en het vroege opstaan. Even weg van het Corona-heden, ieder in ons eigen zanderige bubbeltje.

In ons eigen zanderige bubbeltje

Wat mij natuurlijk bijzonder aansprak was het mooie aardewerk dat we vonden: de decoraties op o.a. het Kalenderberg-aardewerk waren zó de moeite waard. Op de website heeft Aad van alle dagelijkse bijdragen een mooi logboek gemaakt. Door de grote belangstelling kon ieder maar één of twee keer per week meedoen, maar op de site was de voortgang van dag tot dag te volgen.

Voor de woensdagavondgroep in Nijmegen ontstond een probleem, omdat het depot waar onze werkruimte is gesitueerd op last van de gemeente gesloten bleef. Steeds werd de periode verlengd. En was bijeenkomen niet mogelijk. Het zat mij niet lekker. We moeten toch iets kunnen regelen, zei ik tijdens een bestuursvergadering. En zoals dat altijd gaat wanneer je met een idee komt: dan mag je zelf actie ondernemen. Ik wilde met Kees Brok een afspraak maken, maar besloot eerst eens te overleggen met de depotgroep. Ik had gehoord dat zij AWN-materiaal uit het depot thuis (in de tuin, op afstand) aan het uitwerken waren. En ik wilde wel eens weten hoe dat ging. Dat bezoek bleek een gouden zet.

Juist die week had Ben gezien dat in het depot een grote hoeveelheid materiaal uit een kelder werd omgepakt. Materiaal met één vondstnummer dat nog gesplitst moest worden, maar waarvoor geen mankracht was. Ben stelde voor om Kees te vragen of het splitsen door AWN-ers thuis gedaan kon worden. Kees bleek al tijden een oplossing voor het Pierson-project te zoeken, maar door het beleid was dat onmogelijk. Het leek hem realiseerbaar om met dit keldermateriaal thuis aan de slag te gaan, juist omdat het project administratief niet zo ingewikkeld is, en aansluit op onze ervaringen met het materiaal van de Piersonstraat. Zo kwamen alle draadjes bij elkaar: Kees startte met de organisatie aan zijn kant, Ben vervulde een rol als meedenker en intermediair en binnen een week kon ik al beginnen om AWN-ers van de Piersongroep voor dit nieuwe onderzoek te vragen.

Met de ervaring van Bergharen stelde Aad voor om dan meteen een Whatsapp-groep te beginnen, zodat de communicatielijnen in het vervolg wat korter zouden zijn. In no time werd alles opgezet: wie doet er mee, wie wil in de app-groep, wie kan een groepje herbergen thuis en wie zorgt er voor vervoer. Woensdag 23 september hebben we met enkele mensen het eerste materiaal opgehaald en heeft Kees een toelichting gegeven.

Een toelichting van Kees Brok

De toelichting ging als filmpje de Whatsapp-groep in en zo kreeg iedereen de info uit eerste hand. Inmiddels zijn er (naast de depotgroep) vier thuiswerkgroepen en is Thuiswerkproject Waalkade een feit. En zelfs wie niet meedoet kan de voortgang volgen, via de app en spoedig ook via onze website. Zeker nu het depot de komende tijd nog gesloten blijft is dit een mooie manier om in petit comité toch aan de slag te kunnen.

In petit comité aan de slag: thuiswerkgroep Groesbeek

Zo meteen komt de thuiswerkgroep Groesbeek weer bij elkaar. Dus tijd om dit blog naar een einde te brengen. Ik lees nog eens de vorige aanzetten terug, waaronder mijn reactie op het blog van Leo. Leo, wat een mooi blog heb je geschreven over beleving en historische sensatie. Nog niet zo lang geleden hadden we daar in het bestuur flinke discussies over. Harry maakte een opmerking over beleving. Dat we die nodig hadden bij onze jubileumviering en in de tentoonstelling. Jij gaf toen flink repliek. Is beleving niet vorm zonder inhoud? Heeft beleving wel waarde als die niet intrinsiek is? Ik dacht, en denk, dat beleving wel degelijk kan samengaan met inhoud. En dat beleving bij mensen die niet vanzelfsprekend met een bepaald gedachtengoed in aanraking komen een brug kan slaan naar kennisverdieping. Jij bent de natuurlijke romanticus die door objecten of teksten uit het verleden intrinsiek geraakt wordt. Bij andere mensen moet je die emotie misschien een handje helpen om ze toch deelgenoot te kunnen maken van een waardevol verhaal. Wellicht dat je blog me juist door de herkenning zo aansprak. Ik hoef maar een scherf te zien en kan me verbeelden hoe iemand daar met veel zorg en aandacht een decoratie in aanbracht. En dan weer net anders dan de buurvrouw. Zoals alle verschillende decoraties op het Kalenderberg-aardewerk in Bergharen. Iedere scherf een plaatje.

Iedere scherf een plaatje Kalenderberg-aardewerk in Bergharen

Dat het verleden mensen aanspreekt en emoties oproept bleek ook daar. De twee publieksmiddagen hadden over belangstelling zeker niet te klagen.

In juni was ik een poosje in Frankrijk. Toen al schreef ik de kopregel die nu boven dit blog staat. Net als hier werd daar contactloos betalen gepromoot. Maar in een land waar het uitschrijven van een cheque recent nog de norm was gaat dat niet helemaal vlekkeloos. Zo wilde ik bij de Emmaus kringloopwinkel een bordje betalen. Er zit daar altijd een mevrouw achter de kassa die geen t-shirt met BLM nodig heeft om uit te stralen dat Black Lives Matter. Sans contact? vroeg ze, toen ik mijn pasje pakte. Toen ik ja knikte gebaarde ze me dat ik het aan mocht reiken, waarop zij het tegen het apparaat hield. Gedwee volgde ik haar aanwijzing maar op. Geen discussie mogelijk, voelde ik. Zoveel maakte het niet uit: alle handen werden bij aankomst rijkelijk besproeid met desinfectie, gebrouwen uit gedoneerde restjes sterke drank, zo leek het. Thuis rook ik nog alsof ik een roes had uitgeslapen op de grond van het plaatselijke Café des Arts.

Ik heb de kopregel van dat oude blog laten staan, ik vond het wel mooi: sans contact maar toch niet helemaal contactloos. Laten we elkaar op de hoogte houden via de thuisgroepen, de site, Facebook en Whatsapp.
Gegroet en blijf gezond!

De Waal

Vorige week informeerde Aad voorzichtig of er weer eens een blogje in zat. Nou moet ik eerlijk zeggen dat ik de afgelopen weken best druk ben geweest. Zelfs met de AWN. Niet met vergaderingen en werkavonden weliswaar, maar wel met overleg. Er was geen Afdelingsledenvergadering, maar de jaarrekening moest wel opgemaakt, en kloppen! Dan was er het Jaarverslag: Leo had alle geweldige bijdragen van onze leden geredigeerd, gerangschikt en aangeleverd. Ik had het weer uitgeleverd aan de Grafische afdeling van het ROC… en toen gingen de scholen dicht. Met enig kunst- en vliegwerk is het verslag dan toch tot stand gekomen. Lang leve onze digitale wereld: online overleg, online proeven, online correcties, online adressenbestand, online enveloppen bestellen, en zelfs de postzegels komen uit de postnl-webshop. Uiteraard ging het daarna niet meer ‘vanzelf’ en was het nog een dagje vouwen, insteken en plakken, maar aan de tuintafel in de zon kan je dan niet van afzien spreken. Om vier uur lag alles in de brievenbus. Dit is de situatie om kwart voor vier 😉

Om vier uur lag alles in de brievenbus
Maar dat ik nog geen blog schreef komt ook door andere zaken. Ik doe heel andere dingen dan normaal. Herken je dat? Vooral dingen waar je nooit aan toe kwam. Die meer tijd kosten dan even een half uurtje tussendoor. Of waar je meer tijd voor uittrekt. Ik heb mijn emailleeroven uit de schuur gehaald – na 29 jaar! Daarna een week aan het zoeken geweest naar de andere spullen die erbij horen. Alles gevonden op het meest essentiële onderdeel na, het poeder,  waarvan ik wist dat het er moest zijn. Gelukkig werden die week onze zonnepanelen aangelegd en moest de meterkast uitgeruimd. Op de bodem achteraan vond ik op de meest onwaarschijnlijke plek mijn emailleerpoeder. Het emailleren met zo’n oventje kost trouwens een belachelijke hoeveelheid stroom. In al die jaren dat ik er vroeger mee gewerkt heb, heb ik daar nooit een moment bij stilgestaan en toen ik nog thuis woonde heb ik mijn zuinige ouders er ook nooit over gehoord. Raar toch, hoe je perceptie van dingen verandert. Ik voelde – zoals dat tegenwoordig heet – emailleerschaamte. Maar ook daar bieden de zonnepanelen opeens uitkomst: met het weer van de afgelopen tijd is het opeens toch weer duurzaam – gelukkig!

Ik merk dat ik me graag laat afleiden door “guilty pleasures”. Heb jij dat ook? Ik ben gek op cijfers en heb zo ongeveer iedere corona-statistiek bekeken die er te zien valt. Kansloze pogingen om de fenomenen van een ongrijpbare wereld toch in een vakje te stoppen. Iedere woensdagochtend hang ik aan de lippen van Jaap als hij weer spreekt over clusters en waarschijnlijkheid en andere statistische gegevens die dan allemaal weer met elkaar gematcht worden. 

guilty pleasures..

Ook kijk ik heel guilty naar iets heel anders, ik vind het net opgraven in het klein: Dr. Pimple Popper. Een dermatologe die onder plaatselijke verdoving bulten opensnijdt om te zien wat zich daaronder bevindt: een cyste of een lipoom of nog iets anders – je weet het niet van te voren – en die ze vervolgens opgraaft. Alsof je in de Bemmelse klei voorzichtig een Romeins bekertje blootlegt. Je weet niet wat er gaat komen maar de verwachtingen zijn  hoog gespannen ;-).

Maar nu even serieus. We hebben als afdeling een ‘alleen lezen’-abonnement op het Deventer Systeem aangeschaft. Een van ons kan nu inloggen op dit systeem en zo zijn we niet meer afhankelijk van de goede wil van anderen. Zeker op de woensdagavonden zal dit een mooie aanvulling zijn op de papieren informatie die we hebben – en helemaal up-to-date. En dankzij de al eerder genoemde zonnepanelen – waar je een gratis tablet bij kreeg – kunnen we nu wellicht ook ter plekke bij de werktafels de digitale info bij de hand hebben. We gaan het uitproberen – zodra het kan.

Tot het zover is wil ik jullie nog een boek aanraden. Of misschien beter gezegd: een schrijver. Op de woensdagavonden gaat er heel wat keramiek door onze handen. En soms gaat het erover: is het nu porselein of aardewerk? En wat is het verschil…en hoe komen we er eigenlijk aan, aan dat porselein.  Voor een werkgroep die zich tot nu toe vooral met een veel verder verleden heeft beziggehouden, is een Romeinse scherf meer vertrouwd dan het porselein uit de Piersonstraat. Wie heeft het uitgevonden? En waarom is het eigenlijk uitgevonden? En waar?
Wil je het weten? Dan kan ik je het boek ‘De Witte Weg’ aanraden. Geschreven door een beroemde Engelse keramist. Hij maakt installaties met porseleinen objecten, heeft werk in onder ander het Victoria en Albert Museum in Londen, en ook een ‘way with words’. Het is een van mijn lievelingsschrijvers en in dit boek beschrijft hij zijn zoektocht naar de geschiedenis van het porselein. Zijn naam heb ik niet voor niets boven dit blog gezet. In de hoop dat je hem niet zou vergeten. Een man met een Nederlandse grootvader en met een Nederlandse naam: Edmund de Waal. Lees hem! En tot we elkaar weer zien: hou je taai!

Edmund de Waal

P.S. ‘The hare with amber eyes’, een van zijn andere boeken, een zoektocht naar zijn familiegeschiedenis, kan ik je ook aanbevelen.

Tweeling

Alweer het laatste blog van dit jaar. Een jaar dat voor onze werkgroep niet bol stond van archeologisch opgravingswerk. Slechts twee keer heb ik dit jaar in het veld gestaan. Bij Park Lingezegen hebben we een oude put leeg geschept: een put die eerder 19e eeuws dan 17e eeuws bleek. In Grave hebben we op uitnodiging van Jan Kusters een prachtige dag doorgebracht op het ‘geheime veld’. De avond ervoor stonden er nog aardappels, de dag erna zou er gras gezaaid worden. Generaal Jan stuurde alle troepen het veld in om zoveel mogelijk materiaal zeker te stellen. Want de komende jaren valt daar natuurlijk weinig te zoeken.

Landesaufnahme Velp bij Grave

 

 

 

 

 

Foto Ton van der Zanden. 
Vlnr Marijke, Aad, Pauline en Frans in Grave

Verder stond dit jaar voor mij vooral in het teken van het boek “Groesbeek Heights” dat we hebben vormgegeven op basis van teksten van Leo ten Hag en Willem Kuppens met uitbundig beeldmateriaal verzameld door Paul Klinkenberg. Een veelomvattend verslag van heel veel veldwerk: toen en nu! Van de oorlog in de praktijk. Een aanvulling ook op de verhalen van onze oudere buren en buurtbewoners. En als je zoals ik precies op de grens woont, dan hoor je van beide zijden wat de oorlog ‘onder de streep’ voor de gewone mens tot  gevolg heeft gehad.

Een heel andere kant krijg je te zien als je de tentoonstelling ‘Design van het Derde Rijk’ bezoekt in Den Bosch. Om te beginnen: een aanrader! Ik was er afgelopen dinsdag. Absoluut met heel veel respect en duiding gemaakt. En met heel veel voorzorgen om misbruik van het materiaal te voorkomen: je mag niet fotograferen en er is geen folder of boekje met uitleg. De film vooraf – die erg snel gaat, maar waarvan je de meeste onderdelen later nog terug ziet – en de gratis audifoon bieden in woord en geluid geweldige informatie.

Maar zoals ik zei: het is de andere kant van het verhaal. De opzet, de theorie, het concept, zoals dat van bovenaf is uitgedacht. De opzet van de tentoonstelling is veel ruimer dan je wellicht zou verwachten van het woord Design. In beeld en geluid maakt de expositie duidelijk hoe Hitler van het begin af bezig is geweest om op een zo simpel en eenduidig mogelijke manier zijn ideeën vorm te geven en te communiceren. Hoe hij in de vruchtbare bodem van het Duitsland na de Eerste Wereldoorlog voet aan de grond kreeg en dat in relatief korte tijd. Je ziet hoe over alles werd nagedacht, alles werd doordacht, werd ingedeeld, ingericht, overwogen en gepland binnen een groot concept. En ook hoe dit alles moest overkomen op het werkloze en arme volk dat de Eerste Wereldoorlog had verloren en weer trots moest worden op het eigen land en vertrouwen krijgen in hun leider.

In 2017 heb ik meegewerkt aan de vertaling (van Duits naar Engels) van de autobiografie van Heinz Siery, een keramisch ontwerper uit Baumbach. Door zijn woorden kon ik me al een voorstelling maken van wat de komst van het nationaalsocialisme voor gewone mensen betekende en hoe het zich in het dagelijkse leven binnen wurmde. In de expositie werd die voorstelling als het ware werkelijkheid.

Siery: “Meine Schulzeit begann 1933 pünktlich mit Adolf Hitler, der uns, wie weiland der liebe Gott, als ständiger Begleiter völlig vereinnahmte….Für uns Kinder war das eine faszinierende Zeit, denn auf einmal war alles ganz anders, vor allem aber bunter mit den vielen roten Fahnen, einem weißen runden Fleck und einem Kreuz mit Haken darin, die an besonderen Tagen aus dem Fenster gehängt werden mussten und zwar an jedem Haus. Und dann die braun uniformierten Männer, die wir ja vorher nur in den üblichen, für uns ganz normalen blauen Arbeitsanzügen kannten. Aber die Verwunderung wurde noch verstärkt, als einer unsere Lehrer nun auch noch in dieser Uniform zum Unterricht erschien und mit “HEIL HITLER“ grüßte statt mit GUTEN MORGEN.

Dat Hitler niet alleen in eigen land, maar ook over de grens zijn ideeën wist te verspreiden weet ik uit eigen familie. Mijn opa van moederskant, die uit Den Haag kwam, was een van een tweeling. Van jongs af aan kregen we mee dat hij ooit een tweelingbroer had gehad, die ‘fout’ was geweest in de oorlog en ergens in Duitse dienst was gesneuveld. Meer wisten we niet. En opa was invalide. Iedere dinsdagmiddag na school paste ik op hem als oma haar vrije middag had. Gelegenheid genoeg dus om iets te vragen, maar praten over vroeger kon hij toen al niet meer.

De tweeling in 1902

 

 

 

 

 

De tweeling in 1902:
Wim en Piet (rechts)

Met de komst van de vele online genealogische bronnen ben ik er achter gekomen dat opa’s tweelingbroer gestorven is op 1 oktober 1944 in Portogruaro in Italië. En onlangs kreeg ik een klein inkijkje in het verleden van de twee broers toen ik bij mijn tante Joop een oud fotoalbum uit Den Haag in handen kreeg. Eerst vond ik een intens romantische foto van de tweeling rond 1902 en daarna foto’s van de broers afzonderlijk. Ik kreeg het boek mee om de foto’s in te scannen, en toen vond ik achterin, samen in een envelop, twee brieven. Een brief van mijn opa Piet vanuit een lager voor Arbeitseinsatz-arbeiders in Eisenach…en een brief van zijn tweelingbroer Wim met de Duitse Feldpost, ergens vanuit Frankrijk. Twee brieven, twee werelden. En beide enveloppen geopend door de censuur.

Een brief van mijn opa PietOpa Piet

Opa, naïef, “malle Pietje” voor intimi, vertelt over zijn lange reis, hoe ze zijn aangekomen in Eisenach, hoeveel mensen uit verschillende landen er zijn: Bulgaren, Serven, Sloaken, Hongaren, Italianen, Polen en Russen. Het is de vooravond van zijn eerste werkdag en hij maakt zich er vooralsnog vooral druk over of hij wel een ‘waschvrouw’ zal kunnen vinden voor zijn goeie goed. Het is duidelijk dat hij geen flauw idee heeft van wat hem te wachten staat.

Een brief van WimWim, gemankeerd kunstschilder

Zijn broer Wim, gemankeerd kunstschilder, getrouwd met de Poolse Charlotte, staat heel anders in het leven. Hij schrijft in oktober 1943: ‘Je moet weten dat ik sedert enige maanden dienst heb genomen bij een marine-wachkommando. Ik voel het als mijn plicht ook mijn steentje bij te dragen om het Bolsjewisme uit Europa en dus ook uit ons land te houden.” En: “Met Februari kom ik met verlof en hoop ik je op te zoeken, tenminste als je die booze broer nog wilt kennen.” Bijzonder om zo lang na dato een glimp van hun verschillende levens te zien. Zeker is dat ze elkaar als gevolg van hun keuzes nooit meer gezien hebben.

Tot zover. Meer graven in mijn familieverleden, realiseer ik me, dan in onze bodem. Laten we hopen dat we volgend jaar weer meer fysiek aan de slag kunnen. Ik wens jullie in ieder geval goede dagen, met wat bezinning en niet al te veel eten, en alvast een Guten Rutsch in het nieuwe jaar.

En vergeet die expositie niet.

The magic word

Ik ben deze blog nog niet begonnen en heb al drie kopregels bedacht. Zoveel dingen waar ik wel wat over kwijt wil. Eerst was het ‘Marketing Garden’. Maar die had de Gelderlander al. De ongekende hoeveelheid Market Garden-gerelateerde activiteiten van de laatste tijd geeft te denken. De bedoeling is natuurlijk herdenken, maar weten we 75 jaar later eigenlijk wel of realiseren we ons de impact van wat er zich toen heeft afgespeeld? In een radioverslag over de landingen op de Ginkelse Heide hoor ik de verslaggever alleen maar praten over ‘spectaculair’ en de rit van de historische voertuigen naar het noorden is ‘fantastisch’.

Nou hoor ik je denken, maar wacht eens even, we hebben toch zelf ook meegedaan aan die hype en een boek uitgebracht? En dan is mijn antwoord: heb je het al gelezen? Voor de niet ingewijden: de publicatie ‘Groesbeek Heights’ is een uitgave van onze eigen AWN-afdeling, en wel van de Werkgroep Archeologie van de Tweede Wereldoorlog. Als er één boek in mijn optiek integer is en wars van opportunisme, dan is het dit wel. Jarenlang veldwerk gekoppeld aan minstens zo lang archiefonderzoek heeft een bijzondere kruisbestuiving opgeleverd. De verslagen van dag tot dag uit het veld, de war journals, kaarten en foto’s gekoppeld aan wat er nu nog in het landschap te vinden is: het brengt je heel dicht bij die paar dagen in september 1944 dat Gavin en zijn mannen in onze regio landden. Soms zelfs tot bij de schutters in hun putje, waar we zien wat zij zagen als ze over de rand keken…

Tijdens de herdenkingsweek hebben Marcel en ik de jaarlijkse lunch met onze vroegere buurvrouw Nelly (nu 87) en haar dochter Mariëtte. Nelly woonde tijdens de invasie op de Hogewaldseweg in Breedeweg, tegenover het Reichswald. Haar heldere geest en gevoel voor humor brengen je nog dichter bij de dingen van toen. Ze heeft er al vaak interviews over gegeven maar er komen altijd weer nieuwe details boven die we niet eerder gehoord hebben. Over de koeien die al bij de eerste bombardementen geraakt worden en dood in het land liggen. En dat bij terugkomst na de evacuatie alles weg is, behalve die koeien, die er – in vergaande staat van ontbinding – nog liggen. Dat wegslepen niet kan, want er zijn geen landbouwmachines en ze vallen uit elkaar. Maar dat ze wel weg moeten. Het land moet bewerkt, het is al zo laat in het seizoen…Overgieten met brandstof en aansteken dan maar. Spaarzaam met de brandstof, want ja,  alles is schaars. En dat je die verschrikkelijke lucht dan later nóg ruikt als er geploegd wordt op die plekken.

En ook dat ze vorig jaar nog, door de droogte, in het veld de sporen zag van de loopgraven die de Duitsers vanaf de rand van het Reichswald naar hun huis hadden gemaakt. Dat haar vader nog wel een jaar bezig was geweest om de loopgraven dicht te gooien (met slechte grond, vandaar de crop marks), slechts gewapend met een schop en kruiwagen. Dat er een tank door de grensafscheiding van gaas en prikkeldraad gereden was, en dat alle scherpe stukjes gaas en prikkeldraad uit het veld moesten worden gezocht om te voorkomen dat het later mens of dier zou verwonden. En dàt op een plek vol explosieven die in de zachte grond niet waren afgegaan: die dagelijkse angst om vader, en niet alleen in hun huishouden.

Als sterren van de hemelPagina 27 uit Norbert A. de Groot, Als sterren van de hemel, De Gooische Uitgeverij 1984, geannoteerd door Carl Paul zelf.

En we praten over Carl en Vera. Carl Paul, de veteraan van de 82e Airborne divisie, die iedere paar jaar tijdens de herdenkingen bij Nelly kwam logeren. Zijn vrouw Vera, Engelse, die tijdens een van zijn ‘leaves’ in Liverpool met hem trouwde. Ze kenden elkaar drie dagen. Carl was een harde, maakte alle luchtlandingen mee en zat in de staf van Gavin. Bijzondere man, die op zijn 96e nog naar de herdenkingen kwam en iedere ochtend van Nelly naar ons liep om even een praatje te maken terwijl ‘the women’ in huis bezig waren. Mariëtte merkt op dat Carl bewonderenswaardig was, maar dat Vera minstens zo bijzonder was. Een stadsmeisje uit Liverpool dat na de oorlog terechtkomt op een farm (lees: vergane blokhut) in Idaho op 30 mijl van de dichtstbijzijnde buren. Met een man met PTSS (het woord kenden ze nog niet, maar de stress was er niet minder om) die zijn woede afreageerde door het rotsachtige land met de hand te ontginnen. En met drie kinderen waarvan er twee op een vreselijke manier jong sterven. Hoe hou je je dan staande? Onder de afwas, als Mariëtte er naar vraagt, geeft Vera het antwoord. The magic word? Acceptance.

Accepteren lijkt makkelijker te worden als we in tijd of nabijheid verwijderd zijn van ons ‘onderwerp’. Maar als het zo nabij is, hoe kan je dan accepteren? Ik heb net – voor de tweede keer – het boek ‘The hare with amber eyes’ (De haas met amberkleurige ogen) van kunstenaar en pottenbakker Edmund de Waal gelezen. Hij schreef eerder over keramiek, maar dit boek gaat over zijn (joodse) familiegeschiedenis. Over accepteren gesproken…
Het boek raad ik je bijzonder aan, zeker als je van familiegeschiedenis houdt.

Met familiegeschiedenis – ook die van anderen – hou ik me graag bezig, omdat de kleine mens, de persoon, de voorouder, je dichter bij de grote geschiedenis brengt. Vorig jaar maakten mijn man en zwager samen een boekje over het leven van hun oom Alex Willems, die door oorlogsgeweld om het leven kwam. Afgelopen tijd heeft Willem Kuppens, mede-auteur van Groesbeek Heights, met zijn kennis van de militaire activiteiten in onze regio geholpen om uit te zoeken hoe dit heeft kunnen gebeuren. We zijn er nog niet uit.
Maar heeft het gevoel dat we het verleden moeten uitzoeken en vastleggen ook met acceptatie te maken? Wordt dat makkelijker als je weet hoe het gegaan is? De voorgaande generaties hebben het accepteren in ieder geval zonder die kennis moeten doen.

En wat het megalomane herdenken betreft: volgens mij moet het niet groter, groter maar kleiner, kleiner. Dan komen we veel dichter bij de angst, de woede en het verdriet van toen.  Als herdenken gedenken wordt.

 Alex Willems
Vandaag, 29 september 2019, is het precies 75 jaar geleden dat Alex Willems omkwam op de Waal te Winssen.