Blog Leo ten Hag

Wil je reageren op een van mijn blogs? Dat kan op het formulier onder deze blog.
Reacties zijn o.a. hier terug te vinden.

Reageren mag!

Klik een artikel van Leo aan:


26-06-2023

Vondstcomplex

Op 15 juni hadden we voor onze AWN-lezing Jona Lendering uitgenodigd. Hij is bij veel archeologen en oudheidkundigen bekend van zijn blog de Mainzer Beobachter. In zijn dagelijkse blogs schroomt hij niet van tijd tot tijd flink uit te halen naar gevestigde opvattingen omtrent archeologische onderwerpen. Hem uitnodigen voor een lezing zou, dachten wij, wel eens voor vuurwerk kunnen zorgen en we wilden ook niet-AWN leden de gelegenheid bieden hiervan getuige te zijn. Jona kwam, hield een goede lezing, maar de opkomst (zo’n 25 toehoorders) viel mij althans toch een beetje tegen. De vakantieperiode en het aangekondigde noodweer voor deze avond waren hiervoor misschien (voor een deel) verantwoordelijk. Maar misschien was ook het onderwerp van Jona’s lezing voor veel AWN’ers te veel een ver-van-mijn-bed show. Hij sprak over classici, oudheidkundigen en archeologen die langs elkaar heen praten c.q. geen nota nemen van elkaars bevindingen. En over wetenschappers die hun vak niet goed aan het publiek uitleggen en daardoor de nodige scepsis bij dit publiek over hun onderzoeken eigenlijk over zichzelf afroepen.

AWN Nijmegen en omstreken in de Ark van oost

In de pauze van de lezing sprak ik Jona even en hadden we het over het Romeinse aquaduct bij Berg en Dal en Nijmegen. Hij was naar de Ark van Oost gekomen via de Broerdijk, één van de locaties van dit (vermeende?) aquaduct. Over het al dan niet bestaan van dit waterwerk werd een tijd geleden hier in Nijmegen een hele discussie gevoerd, aangezwengeld door een inwoner van deze gemeente. Hij had veel moeite met de grote bedragen die de gemeentes Berg en Dal en Nijmegen uittrokken aan het ‘promoten’ van wat hij een ‘aqua morgana’ noemde. Volgens hem was er door archeologen namelijk niets gevonden wat op de aanwezigheid van een aquaduct wees, en: geen vondst, geen aquaduct. Hij maakte dit aanhangig (of hoe zeg je zoiets?) bij de lokale rekenkamers van genoemde gemeenten. Die van Berg en Dal maakte daar verder geen werk van, die van Nijmegen wel en publiceerde een rapport over haar bevindingen. Dit leidde vervolgens tot de genoemde discussie. Voor een overzicht van de standpunten (en de deugdelijkheid daarvan) van de verschillende partijen verwijs ik graag naar mijn artikel in het Jaarverslag van de AWN Afdeling Nijmegen e.o., ‘Vraagtekens bij een Romeins aquaduct. De discussie over de aardwerken bij Groesbeek’

Hier wil ik drie opmerkingen maken over archeologische vondsten. Op de eerste plaats op de redenering van de betreffende Nijmegenaar: geen vondst, dus geen aquaduct. Zoals ik in mijn artikel aangaf is hier sprake van een zogenoemd ‘negatief bewijs’, in het Engels vind ik deze veelzeggender omschreven als het ‘argument from silence’. Deze redenering wordt vaker toegepast, zeker in de archeologie, maar lang niet altijd op de juiste wijze. Sommige materiaalsoorten, zoals hout, blijven niet altijd geconserveerd, je vindt er weinig of niets van terug. Maar uit dit niet-vinden mag je niet altijd concluderen dat het er niet is geweest. Ofwel: afwezigheid van bewijs is lang niet altijd bewijs van afwezigheid. En dan moet je ook nog rekening houden met zogenoemd circumstantial evidence: geen directe bewijzen (vondsten) maar wel andere aanwijzingen die het bestaan van een aquaduct op zijn minst aannemelijk maken.

Op de tweede plaats wordt in de berichtgeving over archeologie in de media vaak een grote en eenzijdige nadruk gelegd op vondsten, die het liefst als spectaculair en uniek worden gepresenteerd (zie de recente berichtgeving over de vondst van een heiligdom bij Tiel). Op welke wijze vondsten bijdragen tot een beeld van het verleden en of ze überhaupt wel iets toevoegen aan de al bestaande kennis lezen we doorgaans niet veel. Enkele uitzonderingen daargelaten: in het dagblad Trouw stond vorig jaar een uitvoerig artikel over de ontdekking van het graf van Toetanchamon door Howard Carter, op 4 november 1922. Indertijd gepresenteerd als een spectaculaire vondst, maar toen ook al door Egyptologen met de nodige scepsis ontvangen. Veel nieuwe kennis omtrent het Egypte van de farao’s leverde de vondst volgens hen niet op. In het Trouw-artikel zegt de Britse Egyptoloog Aidan Dodson hierover: “De ontdekking van het graf van Toetanchamon is de meest opwindende archeologische vondst, maar historisch gezien niet de belangrijkste”. Ik ben benieuwd naar de rapportage over de opgraving in Tiel, die overigens al in 2017 heeft plaatsgevonden.

En ten derde: om nieuwe inzichten over het verleden te verkrijgen is het doen van nieuwe (spectaculaire) vondsten niet altijd noodzakelijk. Met nieuwe vragen, al dan niet gecombineerd met innovatieve technieken, bestaand vondstmateriaal onderzoeken kan evengoed tot een andere interpretatie van het verleden leiden. Denk bij innovatieve technieken onder andere aan DNA- en isotopenonderzoek. Dit heeft al verrassende resultaten opgeleverd, onder ander over migratie in de prehistorie. Onlangs organiseerde het Archeologieplatform (RCE) hier een symposium over, hier terug te kijken:
Maar wie ‘live’ aanwezig wil zijn bij een symposium over de mogelijkheden van innovatieve technieken in de archeologie kan op 4 november 2023 (101 jaar na de ontdekking van het graf van Toetanchamon!) terecht in de Schouwburg in Cuijk. In onze Nieuwsbrief hebben jullie daar al over kunnen lezen. We houden jullie natuurlijk op de hoogte.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


26 april 2022

Jaarverslag

Een aantal leden, vaste bezoekers van onze werkruimte (wat een genoegen dat we daar weer elke woensdag terecht kunnen!) heeft het al mogen ontvangen: ons jaarverslag 2021. De komende weken zal een legertje AWN’ers de fiets bestijgen en al onze leden van een exemplaar voorzien.

Het is het tweede jaarverslag dat we in A4 formaat en in full colour uit kunnen geven. Maar zoals Pauline in haar blog schrijft is er ook inhoudelijk één en ander veranderd. Minder objectbeschrijvingen en, met name tijdens de coronajaren, meer aandacht voor het gezamenlijk bezig zijn met archeologie. Dat is overigens geheel in de geest van Wim Tuijn: archeologie is iets wat je in groepsverband doet. Een beetje in je eentje rondscheppen was ook niet alles, constateerde Wim in 1968, het oprichtingsjaar van onze AWN Afdeling Nijmegen e.o. Zelfstandig ‘rondscheppen’ mogen we als AWN trouwens toch al niet meer. Gericht naar archeologisch interessante voorwerpen en resten zoeken mag alleen nog bij een officiële opgraving en onder toezicht van een professionele archeoloog. Vandaar ook dat in het jaarverslag (bijna) geen opgravingsverslagen meer te lezen zijn.

Is dat jammer? Ik vind van wel. De ‘pioniersjaren’ van de AWN zou ik graag meegemaakt hebben en ik zou waarschijnlijk ook toen actief aan het jaarverslag meegewerkt hebben. Af en toe mogen AWN’ers assisteren bij een opgraving, maar het is toch vooral ‘binnenwerk’ voor ons geworden. Het uitwerken van oude opgravingen (Kelfskensbos, Piersonstraat, Waalkade, om alleen de ‘Nijmeegse’ activiteiten te noemen) is voor de meeste leden de hoofdbezigheid geworden. Daar is overigens niets mis mee: een opgraving is immers geen doel op zichzelf, maar eigenlijk een fase in een geheel aan werkzaamheden waarin archeologen een situatie uit ons verleden proberen te reconstrueren. Archeologie is niet ‘kijken wat er in de grond zit’, maar een antwoord proberen te vinden op vragen als: wie hebben hier geleefd, in welke periode en op welke wijze? Wat heeft zich op deze plaats in welke tijd voorgedaan? Deze vragen kunnen uiteraard niet tijdens een opgraving meteen beantwoord worden, dat zal bij de uitwerking van alle gedane vondsten moeten gebeuren. Hier kunnen we als AWN een belangrijke bijdrage leveren. Er ligt nogal wat materiaal van oude opgravingen op uitwerking te wachten. Ik zou het mooi vinden als dat uitwerken dan gedaan wordt vanuit bovengenoemde vragen en helemaal prachtig als daar een publicatie (voor het ‘brede publiek’ zoals dat dan vaak, nogal gemakzuchtig, wordt genoemd) uit voort zou komen. Als AWN hebben we daar volgens mij voldoende kwaliteit voor in huis.

Een publicatie verzorgen is iets wat langere tijd in beslag neemt. Tussentijds kunnen we onze jaarverslagen vullen met de inmiddels bereikte resultaten en de bijzondere voorwerpen uit een vondstcomplex er vast in uitlichten.

En zogenaamde ‘toevalsvondsten’ dan, vondsten die door een individuele AWN’er, al dan niet met een metaaldetector, worden gedaan? Nemen we die op in het Jaarverslag? Natuurlijk nemen we die graag op: elk voorwerp verwijst naar het verleden en kan daarover iets onthullen. Vaak levert dat mooie en persoonlijke verhalen op, waar we alle leden graag deelgenoot van maken. Het is geen wetenschappelijke archeologie. We kunnen als AWN een belangrijke bijdrage aan de wetenschap leveren, maar hoeven zelf geen wetenschapper te worden. Dat wil ik nog wel eens uit het oog verliezen en moet daar dan weer even fijntjes op gewezen worden.

Tot slot: met archeologisch materiaal bezig zijn is boeiend, erover lezen ook. Dit boek, geschreven door een archeoloog en een antropoloog, vond ik zeer de moeite waard: David Graeber en David Wengrow, Het begin van alles. Een nieuwe geschiedenis van de mensheid.

Het begin van alles

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


28 augustus 2020

Over een kistje, beleving en historische sensatie

De afgelopen weken hebben we op deze website mee kunnen genieten van de opgraving op het Wijkse Veld in Bergharen. Onder tropische omstandigheden hebben een aantal van onze leden mooie vondsten gedaan. Maar ook met enige afgunst hebben we onze collega AWN’ers aan het werk gezien, want opgraven en objecten en sporen vinden blijft toch meest boeiende in de archeologie. Via internet blijft het allemaal op afstand, Je mist dan toch het idee van een direct contact met het verleden.
Objecten en sporen brengen het verleden dichtbij hoor je vaak zeggen. Dat geldt overigens niet alleen voor de objecten en sporen waarmee archeologen zich doorgaans bezig houden, maar ook voor objecten die meer tot het domein van de historicus behoren: brieven, dagboeken, akten, het bureau waaraan een historische persoon heeft zitten schrijven, het huis waarin hij of zij heeft gewoond, et cetera. En voor oude kranten. Van dat laatste heb ik een persoonlijk voorbeeld.
Jaren geleden, ik was toen een jaar of 14, 15, dwaalde ik wat door het huis van mijn overleden grootouders. In één van de verder leeggeruimde kamers zag ik in de hoek een klein, houten kistje.

Een klein houten kistje


Natuurlijk was ik nieuwsgierig naar de inhoud, ik opende het deksel en tot mijn grote verrassing bleek het kistje vol te zitten met kranten en tijdschriften uit de Tweede Wereldoorlog. Vooral de krant van 10 mei 1940 bracht bij mij de nodige opwinding teweeg: de dag van de Duitse inval in Nederland. Deze krant viel dus op die dag bij mijn grootouders op de deurmat en wat voor mij en mijn generatie geschiedenis is, was voor hen de dagelijkse realiteit. Dat besef komt dan ineens op. En het roept allerlei vragen op: wat dachten de krantenlezers van toen bij het lezen van een bericht met de kop “Duitsche troepen overschrijden de Nederlandsche grens”? En welk idee kregen ze van het verloop van de strijd bij het lezen van “Tenminste 6 Duitsche vliegtuigen neergehaald”? Dat het een lange strijd zou worden, die de Duitsers niet zomaar even zouden winnen? Bij het in de hand houden en zien en lezen van deze kranten lijkt het alsof voor een moment het verschil tussen heden en verleden wegvalt, alsof we onze kennis van de oorlog anno nu (onder andere dat de strijd maar 5 dagen duurde en voor het Nederlandse leger volkomen kansloos was) een moment tussen haakjes kunnen zetten.

Twentsch Dagblad 10 mei 1940



Een soortgelijke ervaring had ik enige jaren geleden bij een bezoek aan een kleine tentoonstelling over de Tweede Wereldoorlog in het Huis van de Nijmeegse Geschiedenis. In een vitrine lag een bordje met de tekst ‘Voor Joden verboden’. Dat deze bordjes bestonden en in de bezettingsjaren door heel Nederland hingen wist ik natuurlijk wel, maar toch krijg je bij het zien van dit object de ervaring van ‘dit is toch allemaal echt gebeurd’.
Met de vermaarde Nederlandse historicus Johan Huizinga zou je het een voorbeeld van historische sensatie kunnen noemen. Het is iets wat je overvalt: je kunt het niet plannen of op commando afroepen, zoals door de leuze ‘Beleef het verleden!’ wordt gesuggereerd. En je moet al over de nodige belangstelling voor en kennis van het betreffende verleden beschikken. Zonder die belangstelling en kennis roept een object niets op. Mijn neef van dezelfde leeftijd, die samen met mij indertijd door het grootouderlijk huis dwaalde, werd totaal niet geraakt door het door de mot aangevreten kistje met oud papier. De Tweede Wereldoorlog interesseerde hem eenvoudigweg niet en toen hij hoorde dat deze kranten letterlijk geen stuiver waard waren verloor hij meteen alle belangstelling.
Wat moeten we nu verder met deze historische sensatie? Het is iets zeer persoonlijks en in de archeologie en geschiedwetenschap draait het juist om het delen van kennis. De waarde van de sensatie lijkt mij dat het aan kan zetten tot verder onderzoek. Zoals ik hierboven schreef riep het zien van de kranten allerlei vragen op over hoe de lezers van toen de oorlog hebben ervaren. En deze vragen zijn voor een groot deel te beantwoorden aan de hand van dagboeken, brieven, memoires, et cetera. Het zou goed kunnen dat we dan onze allereerste indrukken grondig bij moeten stellen. En als we onze bevindingen vervolgens in een leesbare vorm kunnen presenteren en vooral duidelijk maken dat ons verhaal een eigentijdse reconstructie van het verleden is, dan doen we als archeologen en historici meer dan een oproep om het ‘verleden te beleven’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


21 juni 2019

De ‘affaire Cuijk’

Het heeft in korte tijd een grote hoeveelheid reacties in archeologisch Nederland losgemaakt: de ‘Beleidsnota Archeologie Cuijk 2019’. Heel kort samengevat kwam het voorgenomen beleid er op neer dat alleen de Romeinse periode nog (wetenschappelijke) aandacht krijgt en dat de archeologie uit de ‘overige perioden’ geen nader onderzoek meer waard wordt geacht. Minder onderzoeken en minder opgegraven en daarmee kunnen kosten worden bespaard. Uit de Beleidsnota: “Niet voor niets richt Cuijk zich op de Romeinen. Het Romeins verleden van Cuijk is uniek in de regio en bepaalt daardoor in hoge mate de identiteit van Cuijk. In het coalitieprogramma staat de ambitie beschreven om recreatie en toerisme van impulsen te voorzien, door het vermarkten van het rijke Romeinse verleden van Cuijk.”

Oftewel: ‘Cuijk is Romeins’ kun je goed verkopen aan het publiek en aan de toeristen die ongetwijfeld van heinde en verre in Cuijk neer zullen strijken. Dan verdient de gemeente ten minste nog aan archeologie, in plaats van dat het de maatschappij alleen maar geld kost.

Velen uit de archeologische wereld hebben heftig geprotesteerd tegen deze beleidsvoornemens. En met succes! De verantwoordelijke wethouder heeft zijn nota ingetrokken en de gemeente Cuijk zal met onder andere de Werkgroep Archeologie Cuijk in overleg gaan.

Als AWN Afdeling Nijmegen e.o. hadden wij, net als het landelijk bestuur van de AWN, een reactie voorbereid. Verzending daarvan naar de gemeenteraad van Cuijk (vóórdat de nota in de raad besproken zou worden) was gelukkig niet meer nodig. Hieronder de tekst van onze reactie:

‘Aan de leden van de Gemeenteraad Cuijk,

Als bestuur van de AWN Vereniging van Vrijwilligers in de Archeologie, Afdeling Nijmegen en omstreken hebben wij kennis genomen van het raadsvoorstel ‘Vaststelling Archeologiebeleid 2019’ en van de ‘Beleidsnota Archeologie Cuijk 2019’. Bij dezen willen wij graag laten weten zeer verontrust te zijn over het voorgenomen beleid inzake de archeologie in Cuijk.

Wij zijn van mening dat een beperking van de aandacht op alleen de Romeinse tijd (en daar ook nog maar een bepaald deel van) geen recht doet aan het rijke verleden van Cuijk. Het huidige Cuijk komt niet alleen uit deze periode voort, maar is ook gevormd in de prehistorie, de middeleeuwen en de moderne tijd. Deze perioden nagenoeg volledig buiten beschouwing laten zal onvermijdelijk leiden tot een zeer vertekend beeld van de Cuijkse geschiedenis.

Zeer kwalijk vinden wij de (kunstmatige) tegenstelling die in beide documenten wordt gemaakt tussen wetenschappelijke en maatschappelijk meerwaarde van archeologie, waarbij dan alle accent op de maatschappelijk meerwaarde wordt gelegd. Wij zijn van mening dat er geen sprake moet zijn van óf wetenschappelijke óf maatschappelijke meerwaarde, maar van en…en. Alleen wetenschappelijk onderzoek leidt tot nieuwe inzichten over ons verleden en waarom zou ‘het publiek’ daar niet in geïnteresseerd zijn? De belangstelling van ‘het publiek’ gaat echt wel verder dan alleen het kijken naar opgegraven voorwerpen in een vitrine. In dit verband willen we u graag wijzen op het project ‘Nijmegen graaft’ van enige jaren geleden, waarbij mensen in de gelegenheid werden gesteld om deel te nemen aan een echte archeologische (wetenschappelijke) opgraving; door zeer velen werd van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Zou dat in Cuijk anders zijn? We kennen de Werkgroep Archeologie Cuijk goed, veel leden ervan zijn ook lid van de AWN Nijmegen en omstreken. We weten dat zij al heel veel doen om archeologie voor het publiek (volwassenen en kinderen) toegankelijk te maken.

Op basis van het bovenstaande verzoeken wij u met klem om het in genoemde documenten geformuleerde archeologiebeleid ingrijpend te herzien.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


6 mei 2019

Kiek!, wat een onzin

Het is 26 juni 1876. De locatie: Little Big Horn, USA. Generaal Custer heeft zich met de laatste overgebleven manschappen van de 7th Cavalry, een elite-eenheid, op een heuvel teruggetrokken. Zij bieden vertwijfelt weerstand tegen een overmacht aan Indianen. Ze vechten door tot de laatste kogel is verschoten en sneuvelen dan één voor één, Custer als laatste. Zo eindigt een strafexpeditie tegen een aantal opstandige Indianenstammen in een heroïsche ‘last stand’ en de totale vernietiging van de 7th Cavalry.

Dit verhaal is, mede dankzij tal van verfilmingen, een iconisch beeld geworden. Bovenstaande tekst is bewust in de tegenwoordige tijd geschreven. Je krijgt dan het gevoel er zelf bij te zijn en elk moment een met oorlogskleuren beschilderde Indiaan op je af te zien komen. Beleving, daar gaat het immers om.
Er is echter een kleine, zij het niet onbelangrijke ‘maar’ bij dit verhaal: er klopt geen zak van! Het aardige is dat dit iconische beeld mede door archeologisch onderzoek (en dat is opmerkelijk bij een zo relatief recente gebeurtenis) grondig onderuit is gehaald. Wat in het bovenstaande verhaaltje als een heldhaftige strijd is neergezet blijkt in werkelijkheid een paniekerige vlucht van voor het merendeel jeugdige en al voor het begin van de veldslag uitgeputte soldaten te zijn geweest.Zo kennen we in de geschiedenis tal van dergelijke iconische beelden, die bij nader onderzoek vaak slechts zeer ten dele juist blijken te zijn. Ik geef het voorbeeld van Operatie Market Garden, dat door het boek van Cornelius Ryan (A Bridge too Far) en meer nog door de verfilming daarvan iconische status heeft gekregen. Ook hier een heroïsche ‘last stand’, nu van Britse parachutisten, die tegen een overmacht aan Duitsers de Rijnbrug bij Arnhem verdedigden, maar het uiteindelijk op moesten geven. Het heeft van Market Garden een Slag om Arnhem gemaakt en dat is een zeer hardnekkige mythe geworden. Denk hierbij ook aan het stereotype beeld van Britse militairen die, nadat na zware gevechten de Waalbrug bij Nijmegen was veroverd, niet meteen verder wilden oprukken om hun makkers in Arnhem te hulp te schieten: het was namelijk eerst tijd voor hun ‘cup of tea’.

Het is de taak van archeologen en historici, amateurs en professionals, om met een kritische blik naar dergelijke overgeleverde en bij veel ‘geschiedenisconsumenten’ op het netvlies gebrande beelden te kijken. Zij moeten zeker niet dergelijke beelden oproepen en daarbij hopen dat ze een iconische status krijgen en nooit meer worden vergeten. Dat is geen levende geschiedenis, maar verbergt de geschiedenis juist onder een laag statische plaatjes. Levend wordt het pas als we voortdurend vragen blijven stellen. Historici en archeologen moeten al helemaal geen genoegen nemen met een verhaal dat ‘af en toe wellicht te kort door de bocht’ zal zijn, omdat het nu eenmaal een mooi plaatje oplevert. Het streven naar de ‘ware toedracht’ moet de leidraad zijn, al zal die nooit volledig achterhaald worden. Daarvoor zijn we kinderen van onze tijd, met (impliciete, onbewuste) veronderstellingen, aannames en, ja, vaak verblind door beelden met iconische status. Het stellen van kritische vragen ten aanzien van het verleden kan ons wel meer bewust doen worden van onze vooringenomenheden en hoe we de geschiedenis daar mee kleuren. Dan kunnen we voorkomen dat we reageren als die meneer uit Nijmegen, die een schilderij van Vermeer aanziet voor de Mona Lisa. Of dat Market Garden, onder invloed van over het algemeen niet door historische kennis gehinderde belevingsdeskundigen tot een soort ‘Marketing Garden’ gaat worden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


19 FEBRUARI 2018

Herbouw Donjon en archeologie

Na de discussie in 2017 tussen voor- en tegenstanders van ‘herbouw’ van de Donjon in het Valkhofpark bleef het enige tijd stil. Totdat vorige week (14 februari 2018) de Gelderlander met het nieuws kwam dat de kosten het verplichte archeologische onderzoek zo hoog uit gaan vallen dat de kans op herbouw zo ongeveer tot nul is gedaald. Slecht nieuws voor voorstanders, maar is het goed of slecht nieuws voor degenen die archeologie een warm hart toedragen? ‘Goed nieuws’ was mijn eerste reactie. De RCE stelt (terecht) hoge eisen aan de kwaliteit van een archeologische opgraving en dat brengt uiteraard hoge kosten met zich mee. Als de opdrachtgever daarom wellicht afziet van herbouw, des te beter. Beter geen opgraving dat een tegen lagere kosten uitgevoerde slechte opgraving. Bovendien blijft Nijmegen zo verschoond van een neptoren met louter commerciële functie.
Het Gelderlanderbericht kan ook als slecht nieuws worden opgevat, niet omdat de herbouw in ieder geval voorlopig niet doorgaat, maar, zoals archeoloog Arjan den Braven op Facebook (archeologie 3.0) verzucht: “archeologie wordt weer vooral als vervelende kostenpost gezien”. Natuurlijk zou het mooier en beter voor het imago van de archeologie zijn als opgravingen worden gedaan louter vanuit belangstelling voor het archeologisch erfgoed van de gemeente Nijmegen. Zowel ‘de professie’ als ‘het publiek’ wil graag meer te weten komen over de geschiedenis van de ‘oudste stad van Nederland’. Ook al wordt dan het bodemarchief niet verstoord door bouwactiviteiten: toch opgraven, waarom niet? Hier stuiten we echter op het beleid om prioriteit te geven aan het zogenoemde ‘behoud in situ’. Op de website van het RCE lezen we: “Archeologische resten vormen een informatiebron die je maar één keer kunt opgraven en lezen. Daarom kan archeologie het beste in de bodem (in situ) worden bewaard”.  Samen met het principe ‘de verstoorder betaalt’ (als behoud in situ niet mogelijk is) leidt dit tot een praktijk waarbij archeologisch onderzoek altijd een post is op de begroting van voorgenomen bouwplannen. Oftewel: archeologie is onderdeel van de markteconomie geworden, of we dat nu goed of slecht nieuws vinden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


6 FEBRUARI 2018

Een halve eeuw ‘Tuijnieren in de archeologie’

Dit jaar is het 50 jaar geleden dat, met toestemming van ‘het hoofdbestuur der A.W.N.’ een Werkgroep NYMEGEN en OMSTREKEN werd opgericht. Om precies te zijn: op vrijdag 7 juni 1968 vond in Museum Kam de oprichtingsvergadering plaats. De in 2015 overleden Wim Tuijn stond mede aan de wieg van wat nu de AWN Vereniging van vrijwilligers in de archeologie, Afdeling 16 Nijmegen e.o. heet. Jarenlang zou Wim, als secretaris, voorzitter en veldwerkcoördinator een prominente plaats innemen binnen onze afdeling. Onze terugblik op de geschiedenis van AWN Nijmegen e.o. kunnen we dan ook met recht omschrijven als een halve eeuw ‘Tuijnieren in de archeologie’ (met dank aan onze huidige voorzitter John Jansen voor deze woordspeling). De opgravingen die er zijn geweest en de omstandigheden waaronder deze hebben plaats gevonden, de werkgroepen die her en der in ons werkgebied zijn ontstaan, de verschillende manieren waarop getracht is (en vaak met succes!) om de archeologie onder de aandacht van het brede publiek te brengen: het zal allemaal lees- en zichtbaar worden gemaakt in een jubileumboek en – tentoonstelling.
En om even door te gaan op het ‘onder de aandacht van het publiek brengen’: digitale middelen zijn natuurlijk al lang niet meer weg te denken uit de wijze waarop archeologie zichtbaar gemaakt kan worden. Onze website vervult hier een belangrijke rol en zoals u gemerkt zult hebben heeft deze een geheel nieuw uiterlijk gekregen. Het was een prettig toeval dat juist aan het begin van dit jubileumjaar de oude site het begaf en onze webmaster Aad Hendriks met veel inzet en enthousiasme aan de opbouw van een nieuwe site kon beginnen. Wat de inhoud betreft zal veel vertrouwd blijven, maar één nieuwigheidje ziet u hier: een blogpagina waar ik van tijd tot tijd enige beschouwingen over archeologie mag verwoorden. Althans voorlopig: uit uw reacties zal moeten blijken of dit een levensvatbaar ‘experiment’ is of dat wellicht dit podium aan andere AWN’ers beschikbaar kan worden gesteld (als een soort ‘gastblog’). We gaan het de komende weken, maanden zien!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *